Nihilbeding partneralimentatie in huwelijkse voorwaarden nietig ondanks goede voorlichting notaris en het feit dat partijen in volle overtuiging de overeenkomst zijn aangegaan. Ook geen beroep op redelijkheid en billijkheid mogelijk.

2.6.5.
Artikel 1:400 lid 2 BW bepaalt dat overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien nietig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bepaling ook van toepassing op partneralimentatie. Uit artikel 1:157 BW volgt dat ex-echtgenoten elkaar in beginsel levensonderhoud verschuldigd zijn, rekening houdend met enerzijds behoefte en anderzijds draagkracht. De rechtbank volgt niet de stelling van de man dat artikel 1:400 BW alleen ziet op de onderhoudsplicht ten aanzien van bloed- en aanverwanten en niet op de onderhoudsplicht van ex-echtgenoten. Het artikel is opgenomen in titel 17 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek met als opschrift “levensonderhoud”. In deze titel wordt de verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud zowel voortvloeiende uit bloed- en aanverwantschap als uit de (vroegere) huwelijksband nader geregeld. Artikel 1:401 BW bij voorbeeld, waarin de gronden voor wijziging en intrekking van uitspraken of overeenkomsten betreffende levensonderhoud zijn opgenomen, geldt voor zowel de onderhoudsverplichtingen van bloed- en aanverwanten als de onderhoudsverplichtingen tussen (ex-)echtgenoten. Niet valt daarom in te zien waarom artikel 1:400 BW zich zou beperken tot de onderhoudsplicht ten aanzien van bloed- en aanverwanten.

De man heeft nog gesteld dat de maatschappelijke opvattingen ten aanzien van partneralimentatie zijn gewijzigd en in dit verband gewezen op het initiatiefwetsvoorstel “Wet tot herziening van partneralimentatie” (nr. 34 231). De rechtbank is echter van oordeel dat niet vooruitgelopen kan worden op (eventueel) toekomstige wetgeving. Zij past de wet toe zoals deze thans geldt.

2.6.6.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden nietig is.

2.6.7.
De man heeft voorts aangevoerd dat, in het geval de rechtbank van oordeel is dat de huwelijkse voorwaarden nietig zijn, het op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is een beroep op deze nietigheid te doen.

2.6.8.
De man stelt dat partijen voorafgaand aan het opstellen van de huwelijkse voorwaarden uitgebreid overleg hebben gevoerd over de inhoud daarvan. Partijen hebben zich laten adviseren door de notaris over de mogelijkheden van het uitsluiten van de partneralimentatie en zij hebben in volle overtuiging de beslissing genomen dat zij over en weer geen aanspraak maken op partneralimentatie, aldus de man.

2.6.9.
De vrouw betwist dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat aan haar geen beroep op de nietigheid toekomt.

2.6.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Een beroep op de nietigheid van een voorhuwelijkse overeenkomst waarin partneralimentatie wordt uitgesloten, kan slechts onder bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Aan deze bijzondere omstandigheden dienen zware eisen gesteld te worden anders zou de nietigheid zinledig worden. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval dergelijke bijzondere omstandigheden niet aanwezig zijn. Het enkele feit dat partijen in volle overtuiging het nihilbeding zijn overeengekomen is, indien al juist, onvoldoende. Indien de wet bepaalt dat een bepaald soort overeenkomst nietig is, hebben partijen geen contractsvrijheid meer om een dergelijke overeenkomst toch aan te gaan. Dit geldt ook in het geval partijen belangrijke redenen hebben om een nihilbeding aan te gaan, zoals de man heeft aangevoerd. Andere bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank heeft hierbij voorts gelet op het feit dat partijen gedurende zeven jaar gehuwd zijn geweest en kort voor het huwelijk en tijdens het huwelijk kinderen hebben gekregen. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw parttime gewerkt in de onderneming van de man en heeft zij een groot deel van de zorg voor de kinderen op zich genomen. De huwelijkse situatie heeft de financiële positie van de vrouw en haar financiële zelfstandigheid nadelig beïnvloed. Gezien het voorgaande acht de rechtbank het beroep van de vrouw op nietigheid van het nihilbeding in de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Rechtbank Rotterdam 2 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9890