Niet-wijzigingsbeding bij partneralimentatie. Wanneer kan dit beding worden doorbroken?

Bij beschikking van het (toenmalige) hof Leeuwarden van 26 augustus 2010 heeft het hof - overeenkomstig de door partijen gemaakte afspraken - verstaan dat de afspraken met betrekking tot de partneralimentatie niet gewijzigd kunnen worden bij rechterlijke uitspraak op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan dit niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald.

De man heeft in zijn inleidend verzoek verzocht de beschikking van het hof van 26 augustus 2010 te wijzigen omdat er zich een aantal wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan die volgens hem dienen te leiden tot een herbeoordeling van de afgesproken alimentatie. Volgens de man is sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat:
a. a) [minderjarige1] en [meerderjarige2], ten aanzien van wie nog een onderhoudsplicht geldt, inmiddels niet meer bij de vrouw wonen maar bij de man;
b) de verdiencapaciteit van de man is verminderd, doordat hij twee auto-ongelukken heeft gehad, doordat hij vanaf begin 2011 intensieve zorg aan [minderjarige1] en [meerderjarige2] heeft verleend en door de crisis;
c) de behoeftigheid van de vrouw is verminderd doordat zij een arbeidscontract voor langere duur heeft gekregen;
d) de man sinds februari 2013 niet meer samenwoont met zijn partner;
e) de voormalige echtelijke woning in december 2012 is verkocht voor ruim € 60.000,- minder dan waar de man ten tijde van de met de vrouw gesloten overeenkomst rekening mee had gehouden.

Het hof overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en wel zo dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als, in dit geval, de vrouw de man aan het beding zou houden. Daarbij moet voorts in aanmerking worden genomen wat partijen destijds aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad. Niet alleen moet onderzoek worden gedaan naar de feitelijke financiële omstandigheden van het moment, maar ook naar alle andere relevante omstandigheden.

In een geval als het onderhavige, waarin in weerwil van een beding zoals bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW wijziging van de overeengekomen partneralimentatie wordt verzocht, worden zware eisen gesteld aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt. De wijziging moet immers in het licht worden gezien van de overeenkomst nu juist een uitdrukkelijk beding is opgenomen dat deze overeenkomst niet op grond van een wijziging van omstandigheden voor wijziging vatbaar is.

Na weging van alle feiten volgt afwijzing van het verzoek.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4919