Hof Den Haag volgt richtlijn kinderalimentatie tot de Hoge Raad de prejudiciële vragen die het hof hierover heeft gesteld, heeft beantwoord

Het hof is bekend met de lopende discussie naar aanleiding van laatstgenoemde aanbeveling. In die discussie wordt bepleit de aanbeveling ter zake van de behoeftevaststelling niet te volgen. Als minst vergaande variant wordt geopperd om in alle gevallen (als de onderhavige) de alleenstaande ouderkop niet (meer) in mindering te brengen op de behoefte van minderjarige kinderen, maar te beschouwen als inkomen aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde in het kader van de draagkrachtvergelijking om te bepalen welke ouder hoeveel moet bijdragen aan de kosten van de kinderen. Die benadering wordt ingegeven door de gedachte dat toepassing van de aanbeveling in strijd kan zijn met het wettelijk uitgangspunt dat de ouders naar draagkracht bijdragen in de behoefte van hun kind(eren).

De minister van sociale zaken L.F. Asscher heeft bij brief van 22 april 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op een aantal kamer vragen gereageerd met betrekking tot de Wet hervorming kindregelingen en kinderalimentatie. De minister stelt op blz. 4:” Uit de berichtgeving van de Expertgroep Alimentatienormen leid ik af dat de expertgroep zich bij de keuze in het toerekenen van het bepaalde tegemoetkomingen aan de behoefte van het kind heeft gebaseerd op mijn uitlatingen tijdens de parlementaire behandeling van de WHK. Naar het oordeel van het kabinet was op basis van de overige parlementaire stukken, zoals de memorie van toelichting een andere keuze in de toerekening eveneens verdedigbaar geweest, doch niet op voorhands beter”.

Naar het oordeel van het hof is uit de methodiek van wetgeving met betrekking tot de WHK goed verdedigbaar dat (het KGB en) de alleenstaande ouderkop aangemerkt moeten worden als inkomen (inkomensondersteuning) en bij de draagkracht moeten worden opgeteld. Of aanspraak op een KGB of alleenstaande ouderkop kan worden gemaakt is afhankelijk van het verzamelinkomen alsmede van een vermogenstoets.

In het kader van de rechtszekerheid en rechtseenheid zal het hof de richtlijn volgen tot dat de Hoge Raad de prejudiciële vragen die het hof hierover heeft gesteld, heeft beantwoord.


Gerechtshof Den Haag, 1 juli 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1870