Beoordeling van een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring

Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een incidenteel verzoek strekkende tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van een rechterlijke beslissing de belangen van ieder van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg (in dit geval de moeder), zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde (in dit geval de vader) bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel (het hoger beroep) dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven.

Voor wat betreft de afweging van belangen van partijen stelt het hof voorop dat de moeder bij de in eerste aanleg verkregen uitvoerbaarverklaring bij voorraad belang heeft. De uitvoerbaarheid bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem – althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg – toekomt. Reeds hierin ligt het belang van de moeder besloten gelet op het feit dat de moeder ten behoeve van het welzijn van de minderjarige wenste aan te vangen met proefmedicatie, en ten behoeve van de minderjarigen kosten maakt voor hun verzorging en opvoeding.

Het belang van de vader is onder meer daarin gelegen dat de in zijn ogen op onjuiste gronden tot stand gekomen diagnose van de toestand van de minderjarige wordt gevolgd door een onjuiste medicatie. Voorts voert hij met betrekking tot de kinderalimentatie aan dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de hem opgelegde verplichtingen terzake te voldoen.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de moeder
– na consultatie van de huisarts, de apotheker, een psycholoog en in overleg met Jeugdzorg – is begonnen met het toedienen van (proef)medicatie, Medikinet CR, aan de minderjarige. De vader is hierop tegen.
De moeder heeft ter terechtzitting – onweersproken – gesteld dat het beter gaat met de minderjarige sinds hij de medicatie krijgt. Hij is vrolijk, heeft het naar zijn zin op school, maakt makkelijker contact met de andere kinderen in zijn klas, komt beter uit zijn woorden en is minder ad rem. Het voeren van een gesprek met de minderjarige gaat beter en de minderjarige merkt dat zelf ook, hetgeen prettig voor hem is, aldus de moeder.
Ook Jeugdzorg heeft ter terechtzitting onweersproken gesteld dat het goed gaat met de minderjarige. De gezinsvoogd heeft met de leerkracht van de minderjarige gesproken en deze heeft te kennen gegeven dat het vooralsnog lijkt dat de minderjarige rustiger is en zich beter kan concentreren.

Aan hetgeen de vader overigens aanvoert ter onderbouwing van zijn verzoek tot schorsing kan naar het oordeel van het hof, mede gelet op het hiervoor overwogene en gelet op de wettelijke onderhoudsplicht van de vader voor de minderjarigen, niet een zodanig gewicht worden toegekend dat deze een toewijzing van de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking rechtvaardigen.

Gerechtshof 's-Gravenhage 1 september 2010, LJN: BN5912