Vermogensvermeerdering en huwelijkse voorwaarden. Onder vermeerdering van de vermogens valt niet een vermogensvermindering.

In artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden staat het volgende:

"Deelgenootschap bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed.
Artikel 7.
1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of bij scheiding van tafel en bed zal tussen de echtgenoten worden afgerekend volgens de regels van een deelgenootschap zoals hierna bepaald.
2. Dit deelgenootschap verplicht de echtgenoten de vermeerdering van beider vermogens die tijdens het huwelijk (of tot het tijdstip van scheiding van tafel en bed) heeft plaatsgevonden te delen.
De vermeerdering of vermindering van het vermogen van een echtgenoot wordt vastgesteld door van de waarde van zijn eindvermogen de waarde van zijn stamvermogen af te trekken.
3. Het eindvermogen bestaat uit de goederen en schulden die een echtgenoot heeft op het tijdstip dat het verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend met uitzondering van:
a. de kleding en sieraden van een echtgenoot als bedoeld in artikel 3; en
b. de goederen en schulden die ook indien tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan bij de verdeling daarvan niet in aanmerking zouden worden genomen;
Ieder van de echtgenoten kan tot beschrijving en schatting van zijn vermogen overgaan en vorderen dat het vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven. Aan een dergelijke vordering zal door de andere echtgenoot zo spoedig mogelijk gevolg moeten worden gegeven. Indien een echtgenoot met de beschrijving in gebreke blijft kan de beschrijving door de andere echtgenoot plaatsvinden, mits de echtgenoot wiens vermogen beschreven wordt daartoe behoorlijk is opgeroepen.
4. De goederen worden gewaardeerd naar het tijdstip genoemd in lid 3. De waardering vindt plaats door de echtgenoten in onderling overleg en indien de echtgenoten onderling geen overeenstemming kunnen bereiken, door en of meer deskundigen, op verzoek van de meest gerede partij te benoemen door de kantonrechter te Assen.
5. De niet-opeisbare schulden en lasten worden gewaardeerd naar de contante waarde daarvan.
6. Het stamvermogen wordt gevormd door:
a. de goederen die een echtgenoot bij het begin van het huwelijk bezat, verminderd met de toen bestaande schulden, en
b. de goederen die een echtgenoot tijdens het huwelijk door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, verminderd met de op die verkrijging drukkende schulden en lasten.
c. de goederen die door middel van zaaksvervanging aantoonbaar voor de goederen onder a. en b. genoemd in de plaats zijn getreden.
Veranderingen in de waarde van de onder a. en b. genoemde goederen zullen uitdrukkelijk wel in de verdeling als bedoeld in lid 2 van dit artikel worden betrokken.
Indien het stamvermogen negatief zou uitkomen wordt het voor de toepassing van het deelgenootschap op nihil gesteld.
Van het stamvermogen zijn uitgezonderd de kleding en sieraden als bedoeld in artikel 3 en de goederen en schulden die ook indien tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan, bij de verdeling daarvan niet in aanmerking zouden worden genomen.
7. De aanvangswaarde van de tot het stamvermogen behorende goederen wordt als volgt bewezen:
a. wat de aangebrachte goederen betreft, in beginsel door de staat van aanbrengsten; ontbreekt een goed op die staat of is de waarde daarvan niet op die staat vermeld dan kan het bewijs met alle middelen worden geleverd; en
b. wat alle andere goederen betreft, door alle middelen.
Schulden en lasten die in mindering op het stamvermogen komen kunnen door de echtgenoot tot wiens vermogen zij niet behoren met alle middelen worden bewezen.
8. In afwijking van het voorgaande worden goederen die onveranderd zowel tot het stamvermogen als tot het eindvermogen behoren bij geen van beide vermogens in aanmerking genomen."

Artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:

"Deling.
Artikel 8.
De deling van de vermogensvermeerdering geschiedt doordat een der echtgenoten zoveel aan de andere echtgenoot uitkeert dat beider vermogen met een gelijk bedrag is vermeerderd.
In geen geval is een echtgenoot gehouden tot uitkering van meer dan de helft van de door hem behaalde vermogensvermeerdering.
De uitkering waartoe de ene echtgenoot jegens de andere op grond van deze deling gehouden is geschiedt in geld. De vordering is direct nadat de omvang van de vordering is vastgesteld opeisbaar tenzij partijen een andere regeling overeenkomen of daartoe krachtens de eisen van redelijkheid en billijkheid gehouden zijn."

Tussen partijen is in geschil de uitleg van (een deel van) artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. In dat verband dient te worden beoordeeld of de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting tot delen van de vermeerdering van beider vermogens die tijdens het huwelijk (of tot het tijdstip van scheiding van tafel en bed) heeft plaatsgevonden aldus moet worden opgevat dat daartoe ook een verplichting bestaat indien de vermogensvermeerdering negatief is. Deze vraag kan niet enkel worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts komt daarbij mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen in huwelijkse voorwaarden volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben (HR 4 mei 2007, LJN BA1564).

Het hof is van oordeel dat de huwelijkse voorwaarden aldus dienen te worden uitgelegd dat partijen enkel de (positieve) vermogensvermeerdering dienen te verrekenen. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat onder de vermeerdering van de vermogens ook de negatieve vermeerdering - ofwel de vermogensvermindering - dient te worden verstaan. In de 'memo inzake gevolgen huwelijkse voorwaarden' van 13 september 2013 (Verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, productie A), die door de notaris is verstrekt in het kader van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden, wordt uitgelegd dat het door partijen overeengekomen deelgenootschap inhoudt dat partijen enkel verplicht zijn om de vermeerdering van beider vermogens die tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden te delen. Daarbij is het woord vermeerdering cursief gemaakt, naar het hof begrijpt om te benadrukken dat daaronder niet de vermogensvermindering valt, welke laatste term in die uitleg enkel in ander verband wordt gebruikt. In de memo wordt vervolgens een situatie weergegeven, waarbij het eindvermogen van de man negatief is en het privé vermogen van de vrouw alleen bestaat uit een banksaldo (p.m.). Geconcludeerd wordt dat in die situatie geen sprake is van vermogensvermeerdering die gedeeld dient te worden. Tevens is in de memo vermeld dat schulden die op het moment van scheiding tot een privévermogen van een echtgenoot behoren niet worden gedeeld en dat de andere echtgenoot - behoudens uitzonderingen - niet aansprakelijk is voor deze schulden. Voor zover de man heeft gesteld dat in de huwelijkse voorwaarden de vermogensvermindering wel degelijk wordt genoemd, overweegt het hof dat deze term is gehanteerd in artikel 7, tweede lid, tweede zin van de huwelijkse voorwaarden om aan te geven dat door de waarde van het stamvermogen van de betreffende echtgenoot af te trekken van de waarde van het eindvermogen van deze echtgenoot wordt vastgesteld of sprake is van een vermogensvermeerdering of -vermindering ten aanzien van deze echtgenoot. Daar komt bij dat de man ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat partijen in verband met de onderneming van de man huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan en dat met de notaris enkel is besproken dat in het geval de onderneming van de man goed draait de vrouw daarvan de vruchten dient te plukken.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7477