Houding vader staat aan een omgangsregeling in de weg.

3.13.4.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking terecht en op goede gronden heeft geconstateerd dat in dat opzicht feitelijk niets is veranderd in de situatie sinds die beschikking. De vader stuurt al enkele jaren kwetsende en dreigende brieven naar de moeder, laatstelijk in januari 2015. In deze brieven informeert de vader niet naar [minderjarige 2] . Wel stelt de vader de ADHD-behandeling en medicatie van [minderjarige 1] herhaaldelijk ter discussie. [minderjarige 1] heeft voorafgaand aan de zitting verklaard dat hij deze brieven heeft gelezen. Zelfs indien hij dat niet had gedaan, was [minderjarige 1] via zijn behandelaren te weten gekomen dat de vader ook bij deze behandelaren zelf en door middel van klachtprocedures, in beklag is gegaan over de wijze waarop [minderjarige 1] wordt behandeld. Dit creëert veel onrust en boosheid bij [minderjarige 1] . De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof voorts terecht overwogen dat de vader, nadat in een door hem geëntameerde procedure tot vaststelling van een informatieregeling was beslist dat (zelfs) uitbreiding van de bestaande informatieregeling teveel onrust in het gezin teweeg zou brengen, desondanks zijn verzoek om vaststelling van een contactregeling heeft gehandhaafd. [minderjarige 1] heeft reeds in 2010 en daarna nog meerdere malen, zo ook voorafgaand aan de zitting van het hof, aangegeven geen contact met de vader te willen. Het hof heeft de vader dit ter zitting nogmaals voorgehouden. Ook ondanks dat gegeven handhaaft de vader zijn verzoek en stelt hij alleen te kunnen berusten in een afwijzende beslissing als uit een hernieuwd onafhankelijk onderzoek of in het kader van een begeleide contactregeling zou blijken dat de kinderen daadwerkelijk de vader niet willen zien en de moeder niet enig aandeel heeft (gehad) in het ontstaan en de instandhouding van de weerstand bij de kinderen.
Voorts heeft de vader het toegestaan dat een maatschappelijk werker, lopende de onderhavige procedure, contact heeft opgenomen met de moeder om haar ertoe te bewegen tot contactherstel over te gaan.

3.13.5.
[minderjarige 1] is een kwetsbare jongen. Het gaat op dit moment niet goed met [minderjarige 1] . Hij is erg boos en heeft er moeite mee om met de dwingende houding van de vader om te gaan. Om daar beter mee te leren omgaan, gaat [minderjarige 1] thans eenmaal per week naar een psychotherapeute. [minderjarige 1] heeft baat bij deze gesprekken.
Hoewel [minderjarige 1] wellicht meer dan [minderjarige 2] persoonlijk wordt belast met de houding en het handelen van de vader, acht het hof aannemelijk dat ook [minderjarige 2] , als lid van het gezin hier last van heeft. De moeder heeft bovendien onweersproken verklaard dat de vader [minderjarige 2] een keer heeft ‘klemgereden’ met zijn auto en haar heeft verzocht om met hem mee te gaan, terwijl zij op dat moment niet eens wist dat hij haar vader was. Het handelen van de vader raakt derhalve ook [minderjarige 2] rechtstreeks.

3.13.6.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de vader er in het geheel geen blijk van heeft gegeven in staat te zijn om aan te sluiten bij wat de kinderen aangeven. Hij heeft geen afstand bewaard en blijft zijn eigen wensen en zijn eigen belang voorop stellen. Daarbij komt dat de vader er geen blijk van geeft enig inzicht te hebben in het aanzienlijke aandeel dat hij heeft gehad in het ontstaan van de huidige situatie en de weerstand bij de kinderen. Dat de vader thans wel inzage heeft gegeven in de strafprocedure en zijn psychische gesteldheid, noch het gegeven dat zijn reclasseringsambtenaar van mening is dat de vader een nieuwe kans zou moeten krijgen, doet af aan het voorgaande.

Volgt bekrachtiging beschikking rechtbank.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5263