Eindbeschikking na beantwoording prejudiciële vragen. Het inkomen van de vrouw wordt verhoogd met totale kindgebonden budget.

Met inachtneming van de beantwoording van voormelde prejudiciële vragen door de Hoge Raad overweegt het hof als volgt. De behoefte van [naam 2] bedraagt met ingang van 1 januari 2015 geïndexeerd € 383,- per maand. De draagkracht van de man in 2015 heeft het hof in de beschikking van 3 juni 2015 becijferd op € 518,- per maand en het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.451,- per maand. Het hof verhoogt dit inkomen, zoals direct voortvloeit uit de uitspraak van de Hoge Raad, met het (totale) door de vrouw ontvangen kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 340,- per maand. Haar netto besteedbaar inkomen beloopt alsdan € 1.791,- per maand en haar draagkracht becijfert het hof aldus op [70% x (1.791 – ((0,3x1.791) + 875))=] € 265,- per maand. Dit leidt tot de volgende verdeling van de kosten over beide ouders:
het eigen aandeel van de man bedraagt: 518/783 x 383 = € 253,-. Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:265/783 x 383 =€ 130,- in totaal € 383,-
Het eigen aandeel van de man wordt verminderd met de zorgkorting van 25% van € 383,- = € 96,, zodat een door de man te betalen kinderalimentatie resteert van € 157,- per maand.

Gerechtshof Den Haag 28 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2995