Geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden zodat er geen aanleiding bestaat om de eerder vastgestelde kinderalimentatie te wijzigen. Ook terugbetaling kinderalimentatie.

Het hof overweegt dat uit de door de man overgelegde jaaropgave 2013 en salarisspecificaties betreffende de maanden januari tot en met april 2014 volgt dat het inkomen van de man met nauwelijks meer dan de inflatiecorrectie is gestegen ten opzichte van het inkomen dat de man genoot ten tijde van de vaststelling van de kinderalimentatie in 2012. Voorts stelt het hof vast dat de functiewijziging van de man van “productiemedewerker” naar “logistiek medewerker” geen loonwijziging met zich heeft gebracht. Het hof merkt in dat kader op dat op de salarisspecificaties van de maanden maart en april 2014 de nieuwe functie van de man zijnde “logistiek medewerker” reeds staat vermeld en er geen sprake is van een hoger inkomen ten opzichte van de maand februari 2014 toen de man nog werkzaam was als “productie-medewerker”. De man heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij om die reden geen salarisspecificaties betreffende de periode na april 2014 heeft overgelegd, welke verklaring van de man het hof aannemelijk voorkomt. Het hof heeft – gelet op het vorenstaande – geen aanleiding om te veronderstellen dat het inkomen van de man na april 2014 – als gevolg van voornoemde functiewijziging – alsnog zou zijn gestegen.

Nu er zowel ten tijde van de procedure in eerste aanleg en ook thans geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, ziet het hof geen aanleiding om de bij de beschikking van de rechtbank Arnhem van 28 september 2012 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] te wijzigen. De bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de vrouw van 27 augustus 2013, om de aan de man opgelegde bijdrage ten behoeve van [de dochter] te verhogen naar € 285,-- per maand dient alsnog te worden afgewezen.

Terugbetaling

De rechter dient ook in hoger beroep, in het algemeen, behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de wijziging van een onderhoudsbijdrage te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald. De rechter is daarbij niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend, verweer. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken zal moeten beoordelen in hoeverre een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard en dat de rechter, indien dat naar zijn oordeel het geval is, daarvan rekenschap zal moeten geven in zijn motivering. Het belang van de onderhoudsplichtige om het teveel betaalde bedrag terug te krijgen is ook een omstandigheid die de rechter in aanmerking moet nemen bij de beoordeling of, en in hoeverre, van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid terugbetaling van het teveel ontvangene kan worden verlangd (vgl. HR 25 april 2014, NJ 2014, 225. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval een zekere terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Het hof overweegt daartoe dat de vrouw met ingang van de datum van de indiening van het beroepschrift door de man, zijnde 21 februari 2014, rekening had kunnen houden met een lagere bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], mede omdat de man in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd. Daarbij komt dat – naar het oordeel van het hof – de man ook een belang heeft bij terugbetaling van de door hem teveel betaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], nu de door de rechtbank in de bestreden beschikking toegewezen bijdrage van € 285,-- per maand ruimschoots het dubbele bedraagt van de voorheen geldende (geïndexeerde) bijdrage van thans € 140,58 per maand en deze bijdrage – nu er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden – de draagkracht van de man ruimschoots overstijgt. Het hof ziet hierin aanleiding om te bepalen dat de vrouw gehouden is om aan de man hetgeen zij – na 21 februari 2014 – teveel aan kinderalimentatie heeft ontvangen aan de man terug te betalen. Een terugbetaling in maandelijkse termijnen dient daarbij in beginsel het uitgangspunt te zijn, als nader door de partijen overeen te komen.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 30 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4485