Valt een door een partij ontvangen ontslagvergoeding in de gemeenschap van goederen of is de vergoeding verknocht?

Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW – af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (zie HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009, 41).

Tussen partijen staat vast dat de ontslagvergoeding was bedoeld ter suppletie van een uitkering of een lager inkomen. Daarmee is de vergoeding in beginsel verknocht (zie, in die zin, rov. 3.4 van de zojuist genoemde beschikking van de Hoge Raad). De omstandigheid dat de man de ontslagvergoeding niet (of niet aanstonds) heeft aangesproken vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 24 januari 2012 maakt nog niet dat de man daarmee een andere bestemming heeft gegeven aan de ontslagvergoeding. De man kan immers zo hebben geleefd dat hij pas op een later moment gebruik hoefde te maken van de inkomenssuppletie. Daarbij komt dat in hoger beroep onbestreden is gebleven het oordeel van de rechtbank dat de man de ontslagvergoeding heeft ontvangen “met het oog op de definitieve beëindiging van het dienstverband” op 1 juli 2012 (tot die tijd is, zo heeft de rechtbank vastgesteld, de man ook nog aan het werk geweest bij zijn werkgever) zodat er voor de man ook geen reden was om de ontslagvergoeding aan te spreken (feiten of omstandigheden die dit anders maken, heeft de vrouw nagelaten te stellen). Op dit punt, dat vaststaat dat de ontslagvergoeding strekt ter suppletie van een uitkering of een lager inkomen verschilt de onderhavige zaak ook van de drie beschikkingen van de gerechtshoven waarop de vrouw zich beroept (waarin dit niet vaststond). Hier is echter aan de orde of de man “nadien” een andere bestemming heeft gegeven aan de ontslagvergoeding.

Het beroep dat de vrouw daarvoor doet op de stamrechtovereenkomst is ontoereikend.

Anders dan de vrouw meent, heeft de man het bedrag dat hij vanwege de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst heeft ontvangen niet “als spaarpot in de vorm van een stamrecht weggezet voor als hij de 65-jarige leeftijd bereikt” (onderstreping hof). De stamrechtovereenkomst bepaalt slechts dat de stamrecht-bv zich verplicht tot het doen van periodieke uitkeringen “uiterlijk ingaande op de maand waarin [de man] de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt” (onderstreping hof).

Ook volgt, zonder nadere toelichting, die de vrouw heeft nagelaten te geven, niet uit de stamrechtovereenkomst dat het “uiteindelijk aan de man [is] te beslissen op welke wijze hij over het stamrecht wil beschikken” en de man aldus een andere bestemming heeft gegeven aan de ontslagvergoeding. De vrouw maakt niet duidelijk op welke bepaling(en) van de stamrechtovereenkomst de vrouw zich voor haar stelling baseert, terwijl in de stamrechtovereenkomst zelf valt te lezen dat: aan de man “in verband met de ontbinding van zijn arbeidscontract (…) een schadeloosstelling ter vervanging van te derven inkomsten is toegekend ten bedrage van € 270.212,92”; “deze uitkering wordt gestort als koopsom voor een stamrecht als bedoeld in artikel 11.1.g van de wet op Loonbelasting 1964 ten laste van [de stamrecht-bv]”; “[11] de periodieke uitkeringen worden beschouwd als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloningen”; en, ten slotte, artikel 12 van de stamrechtovereenkomst slechts voorziet in de mogelijkheid de “periodieke uitkeringen bedongen op grond van [de stamrechtovereenkomst] te wijzigen” (dan wel om te zetten) onder in dat artikel strikt omschreven (fiscale) voorwaarden, welke passages er juist niet op lijken te duiden dat de man een andere bestemming (kort gezegd dan inkomenssuppletie) heeft gegeven aan de ontslagvergoeding.

Zoals hiervóór reeds overwogen, is in hoger beroep onbestreden gebleven het oordeel van de rechtbank dat de man de ontslagvergoeding heeft ontvangen “met het oog op de definitieve beëindiging van het dienstverband” op 1 juli 2012 (tot die tijd is, zo heeft de rechtbank vastgesteld, de man ook nog aan het werk geweest bij zijn werkgever). Van aanspraken van de man op inkomenssuppletie die zien op de periode vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap (op 24 januari 2012), en die bijgevolg in de huwelijksgemeenschap vallen (zie in die zin HR 17 oktober 2008, reeds aangehaald), is daarmee geen sprake. Feiten of omstandigheden die dit anders maken, zijn door de vrouw niet gesteld. Zo er al aanspraken van de man op inkomenssuppletie zouden zijn die zien op de periode vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap, heeft de vrouw overigens nagelaten duidelijk te maken wat de hoogte van die aanspraken dan zou zijn (of hoe deze berekend zou kunnen worden). Ook ter zitting van het hof heeft de vrouw nagelaten daarover enige helderheid te verschaffen. In zoverre heeft de vrouw haar grief onvoldoende begrijpelijk toegelicht.

Ten slotte kan niet aanvaard worden de stelling van de vrouw dat de ontslagvergoeding in de gemeenschap terecht is gekomen door storting op de gemeenschappelijke rekening van partijen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat de vergoeding van 30 november 2010 tot 1 december 2010 op een gezamenlijke rekening van partijen heeft gestaan niet tot een ander oordeel van de rechtbank (zoals hiervóór weergegeven) kan leiden. Immers, zoals de rechtbank dienaangaande ook heeft geoordeeld, louter op grond van de genoemde omstandigheid kan niet worden aangenomen dat de ontslagvergoeding deel is gaan uitmaken van het gemeenschappelijke vermogen van partijen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4114