Kan wettelijke rente over een toegekende gebruiksvergoeding worden toegewezen over een vóór de datum van beschikking gelegen periode?

De debiteur van een verbintenis tot betaling van een geldsom is tot een schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van die geldsom verplicht over de periode dat hij met de voldoening van zijn geldschuld in verzuim is (art. 6:119 lid 1 BW). Of sprake is van verzuim dient te worden vastgesteld aan de hand van art. 6:81 BW e.v. Verzuim kan niet intreden voordat de verbintenis is ontstaan en opeisbaar is geworden. De vrouw heeft eerst aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.34 In aansluiting op vaste rechtspraak van Uw Raad betreffende het ontstaansmoment van vorderingen uit hoofde van verdeling van een (huwelijks)gemeenschap meen ik dat de verschuldigdheid van de maandelijkse gebruiksvergoeding eerst is ontstaan met en door de beschikking van het hof, ook wat betreft de vóór die uitspraak gelegen maanden.35 De man kan ten aanzien van die maanden derhalve niet in verzuim zijn. De toewijzing van het verzoek tot veroordeling tot betaling van wettelijke rente over de toegekende gebruiksvergoeding over een vóór de datum van beschikking gelegen periode getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de beschikking van het hof op dit punt niet in stand kan blijven.

Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2208

De Hoge Raad heeft dit oordeel van de AG overgenomen:

De vordering van de vrouw op de man tot voldoening van een gebruiksvergoeding, die het hof kennelijk heeft toegewezen op de voet van art. 1:165 BW, is eerst ontstaan en opeisbaar geworden als gevolg van de beschikking van het hof van 28 mei 2014 waarbij die gebruiksvergoeding aan de vrouw is toegekend. Derhalve kan de man vóór 28 mei 2014 niet met de voldoening van de gebruiksvergoeding in verzuim zijn geweest als bedoeld in art. 6:119 lid 1 BW in verbinding met de art. 6:81-87 BW. Het hof heeft dan ook ten onrechte ook wat betreft de gebruiksvergoeding die voor de periode van 22 mei 2013 tot 28 mei 2014 aan de vrouw is toegekend, bepaald – zoals zijn beschikking kennelijk moet worden verstaan – dat daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de eerste dag van iedere maand van dat gebruik.

Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:374