Biologische vader wordt omgang ontzegd. Geen family life

Ingevolge artikel 1:377a BW kan, voor zover hier van belang, degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot een kind, de rechter verzoeken een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en dat kind.

De verzoeker kan alleen dan in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling worden ontvangen wanneer tussen hem en de minderjarige sprake is van 'family life' als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De in artikel 1:377a BW opgenomen term 'nauwe persoonlijke betrekking' wordt namelijk, krachtens de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de mens, ingevuld met het begrip 'family life' uit artikel 8 EVRM.

Het enkele biologische vaderschap is onvoldoende om de bescherming van artikel 8 EVRM te kunnen inroepen. Bijkomende omstandigheden, gelegen in de aard van de relatie van de biologische vader en de moeder voor de geboorte of na de geboorte van het kind welke een zo nauwe persoonlijke betrekking met zich brengen dat dit als 'family life' moet worden beschouwd, moeten bij de beoordeling worden meegewogen. Het betreft in de kern een waardering van de gestelde en, in geval van betwisting, aannemelijk geworden feiten en omstandigheden of een verwekker ontvankelijk zal zijn in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

Onvoldoende is dat partijen in de sociale media enkele opmerkingen hebben geplaatst waaruit zou moeten blijken dat zij een gezinsleven hadden voorgenomen. Ook het feit dat vader enkele keren meegegaan is naar het ziekenhuis voor een echo en een controle tijdens de zwangerschap is onvoldoende om te spreken van family life.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2734

Zie anders: Gerechtshof Amsterdam 15 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1714 en Rechtbank Den Haag 14 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9677. Deze uitspraken zijn ook hier opgenomen.