Vaststellingsovereenkomst vernietigd voor benadeling van meer dan een kwart

Ter zake de stelling van de man dat de aard van de vaststellingsovereenkomst een beroep op artikel 3:196 BW uitsluit, overweegt de rechtbank als volgt. Het is juist dat een beroep op dwaling in de zin van artikel 3:196 BW is uitgesloten ten aanzien van het onderwerp waarover door partijen werd getwist dan wel waarover onzekerheid bestond en waarover partijen vervolgens de vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. In het onderhavige geval is dit echter niet aan de orde. Partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst uitvoering gegeven aan de huwelijkse voorwaarden van 1985. Van beëindiging of voorkoming van onzekerheid of geschil als bedoeld in artikel 7:900 BW is derhalve geen sprake.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat niet kan worden aangenomen dat de vrouw de uitkomst van de afspraken omtrent de verrekening te harer bate of schade als bedoeld in artikel 3:196 lid 4 BW heeft aanvaard. Tussen partijen is immers niet in geschil dat zij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst beiden geen besef hadden van de financiële situatie van de onderneming van de man. Er is dan ook geen sprake van een bewuste keuze van de vrouw om afstand te doen van een aan haar uit verrekening toekomende uitkering.

Rechtbank Breda, 9 februari 2011, LJN: BP3867