Partneralimentatie; niet-wijzigingsbeding; deskundigenonderzoek.

Met betrekking tot de partneralimentatie

3.9.4.1. Het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie dient, nu partijen in het echtscheidingsconvenant een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW, op basis van het in dat artikel bepaalde te worden beoordeeld.

Artikel 1:159 lid 3 BW bepaalt dat, ondanks een tussen partijen overeengekomen niet-wijzigingsbeding, op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter kan worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Uit de toelichting bij artikel 1:159 lid 3 BW blijkt dat de wetgever hierbij heeft gedacht aan een zeer ingrijpende wijziging van omstandigheden, ten gevolge waarvan er een volkomen wanverhouding is ontstaan tussen hetgeen partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen heeft gestaan en hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn indien de wederpartij de verzoeker zou houden aan hetgeen is overeengekomen. Nu deze wijziging aldus slechts in uitzonderingsgevallen is toegelaten, moet aan de stelplicht van de verzoekende partij zware eisen worden gesteld, alsmede aan de motivering door de rechter die de beslissing neemt dat deze partij niet langer aan het beding kan worden gehouden.

3.9.4.2. Het hof deelt voorshands niet de opvatting van de vrouw dat de man niet aan zijn verzwaarde stel- en bewijsplicht heeft voldaan.
Het hof stelt vast dat de man een groot aantal financiële stukken in het geding heeft gebracht, waaronder:
- de jaarrekeningen 2011, 2012, 2013 en 2014 van [holding] BV,
- de jaarrekeningen 2011 en 2012 van [groep] Groep BV;
- een specificatie van schulden met onderliggende bescheiden;
- de jaaropgaven 2011, 2012, 2013 en 2014 en
- salarisspecificaties vanaf mei 2015;
- de fiscale rapporten 2011, 2012 en 2013,
- de aangifte IB 2014;
- de (voorlopige) aanslagen IB van 2010 tot en met 2013;
- de jaarrapporten 2012, 2013 en 2014 van [BV ] BV;
- de jaarrapporten 2013 en 2014 van [groep] Groep BV en [vastgoed] Vastgoed BV en
- de jaarrapporten 2014 van [vastgoed] Vastgoed I, II, III en IV BV;
- diverse jaarrapporten met betrekking tot [beheer] Beheer BV, [BV 2] BV, [BV 1] BV, [properties] Properties BV en Maatschap [maatschap] ;
- een kasstroomoverzicht 2011 tot en met 2014 (prognose);
- de brief van de accountant van de man aan de man d.d. 4 november 2015 met bijlagen, waaronder een kasstroomoverzicht inzake de jaren 2013, 2014 en 2015 (prognose).
Het hof zal bij de beoordeling van de verzoeken van de man zijn inkomen (en ook zijn draagkracht) ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant d.d. 8 juli 2011 moeten vergelijken met zijn inkomen, althans het in redelijkheid door hem te verwerven inkomen (en ook zijn draagkracht) met ingang van 1 februari 2014.
Vervolgens dient het hof te beoordelen of er sprake is van een zeer ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1: 159 lid 3 BW. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij de man niet aan het echtscheidingsconvenant zal houden indien de financiële situatie van de man daadwerkelijk zo is dat hij in zwaar weer verkeert.

3.10.
Het hof acht een deskundigenonderzoek op het punt van de in rechtsoverweging 3.9.3. en 3.9.4.2. vermelde inkomensvergelijking noodzakelijk, een en ander gezien de financiële problematiek. Het hof overweegt daarbij dat de te benoemen deskundige voorts de bevoegdheid dient te hebben om te onderzoeken of partijen in onderling overleg tot overeenstemming zouden kunnen komen met betrekking tot hetgeen hen in deze zaak verdeeld houdt.
Het hof is voornemens om als deskundige te benoemen drs. S.C.M. Schilder FM te [plaats] en aan deze te benoemen deskundige de volgende vragen voor te leggen:
-
welk inkomen had de man of kon hij zich in redelijkheid verschaffen uit zijn onderneming(en) ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant medio 2011?
-
welk inkomen had, dan wel heeft, de man in 2014, in 2015 en naar verwachting in 2016, althans welk inkomen kon, dan wel kan, de man zich naar redelijkheid uit zijn onderneming(en) in genoemde tijdvakken verschaffen en in welke vorm?

3.11.
Alvorens over te gaan tot benoeming van de deskundige stelt het hof partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de (persoon van de) te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen.
Het hof zal de zaak daartoe aanhouden als in het dictum van deze beschikking nader te bepalen.

3.12.
Het hof is gelet op de omstandigheden van dit geding voornemens de kosten van de deskundige, begroot op € 10.000,- (inclusief BTW), voorshands gelijkelijk ten laste van partijen te brengen.

3.13.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5180