Mag een vermeerdering van een verzoek om alimentatie mondeling in hoger beroep plaatsvinden?

Het hof overweegt dat een vermeerdering van het verzoek in beginsel bij het (beroepschrift dan wel) verweerschrift in hoger beroep dient te geschieden (vergelijk HR 20 juni 2008, NJ 2008, 554). Bovendien moet een vermeerdering van het verzoek op grond van het bepaalde in de artikelen 283 jo. 130 Rv in beginsel schriftelijk geschieden. Onder omstandigheden kan op deze in beginsel strakke regels een uitzondering worden aanvaard indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een vermeerdering van het verzoek kan plaatsvinden. Dit geldt voor een geval als het onderhavige, een alimentatieverzoek waarin aanpassing wordt beoogd aan eerst na het tijdstip van het verweerschrift in hoger beroep voorgevallen feiten en omstandigheden en de vermeerdering van het verzoek ertoe strekt te voorkomen dat een nieuwe procedure moet worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van inmiddels achterhaalde gegevens te laten beslissen. Toelating van de vermeerdering van het verzoek mag echter niet in strijd komen met de eisen van de goede procesorde (vergelijk HR 19 juni 2009, NJ 2010, 154).

In het onderhavige geval hangt de vermeerdering van het verzoek samen met een nieuw feit dat pas na het verweerschrift is voorgevallen, te weten dat het kind per 1 mei 2010 is gestopt met werken bij Albert Heijn. Het verzoek is eenduidig en de man heeft verweer gevoerd tegen dat verzoek en tegen de gewijzigde behoefte van het kind. Bij die stand van zaken oordeelt het hof het niet in strijd met de goede procesorde acht te slaan op het mondeling vermeerderde verzoek van het kind.

Gerechtshof Arnhem, 31 augustus 2010, LJN: BO1244