Dient de in de verrekenperiode aan de man toekomende, maar feitelijk nog niet aan hem uitgekeerde winstaandelen in de maatschap, in de verrekening te worden betrokken?

De in de art. 1:132 - 1:143 BW neergelegde regels zijn van toepassing op huwelijkse voorwaarden die een verplichting inhouden tot verrekening van inkomsten of van vermogen. Zij bevatten geen bepaling aan de hand waarvan kan worden vastgesteld wat moet worden verstaan onder 'inkomsten' die voor verrekening in aanmerking komen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de omschrijving van hetgeen voor verrekening in aanmerking komt, bewust heeft overgelaten aan de (aanstaande) echtgenoten in samenspraak met de notaris die de akte van huwelijkse voorwaarden redigeert. De uitleg van (een verrekenbeding in) huwelijkse voorwaarden - in ieder geval in de verhouding tussen de echtgenoten onderling - dient volgens vaste rechtspraak te geschieden aan de hand van het zgn. Haviltex-criterium. Deze maatstaf houdt in dat de uitleg geschiedt aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
In deze uitspraak wordt gezien het bovenstaande citaat van de AG in deze zaak opnieuw duidelijk hoe belangrijk het is welke afspraken partijen maken in de huwelijkse voorwaarden. Van welk inkomensbegrip dient men uit te gaan?
In de onderhavige zaak is "netto inkomen" in de huwelijkse voorwaarden omschreven als: "het belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet IB 1964 onder aftrek van de daarover verschuldigde wettelijke inhoudingen of heffingen". Deze omschrijving is vrij ruim. Van enig voorbehoud ten aanzien van bepaalde soorten inkomsten - de Wet IB 1964 onderscheidt verschillende soorten inkomsten - blijkt uit de tekst van de huwelijkse voorwaarden niet.
Duidelijk in deze zaak is dat de nog niet opgenomen winst van de man wel was aangegeven bij de inkomstenbelasting zodat dit inkomen volgens het gerechtshof tot het te verrekenen inkomen behoort. De man doet vervolgens bij de Hoge Raad tevergeefs een beroep op het bepaalde in artikel 1:141 lid 4 en 5.
De leden 4 en 5 van art. 1:141 BW luiden als volgt:
4. Indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat, worden de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot, onverminderd het eerste lid.
5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing, indien een echtgenoot op eigen naam een onderneming uitoefent."
De man bedoelde met zijn beroep op artikel 1:141 lid 4 en 5 BW dat als al juist is dat de door hem in de maatschap gelaten winsten met de vrouw verrekend moeten worden, deze winsten niet verder in aanmerking mogen worden genomen dan in het maatschappelijk verkeer als redelijk wordt beschouwd. Het is volgens de man redelijk dat een advocatenmaatschap over kapitaal beschikt dat nodig is om het onderhanden werk te financieren en als buffer om eventuele toekomstige verliezen op te vangen.
Volgens de Hoge Raad gaat het beroep van de man op het genoemde artikel niet op:
Het Hof heeft allereerst onderzocht wat tot het netto-inkomen van de man als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden behoort. Het heeft op basis van art. 5 lid 2 van die voorwaarden geoordeeld dat voor de inkomstenbelasting de niet uitgekeerde winsten als inkomen moeten worden aangemerkt en dat deze winsten door de man ook als zodanig in zijn aangiften inkomstenbelasting worden opgenomen. In het verlengde daarvan heeft het Hof vastgesteld dat de man in ieder geval op het moment dat hij uit de maatschap treedt, zal kunnen beschikken over de hem toegekende doch niet uitgekeerde winsten. Aldus heeft het Hof geoordeeld dat het gehele winstaandeel van de man, inclusief het (nog) niet uitgekeerde gedeelte daarvan, in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van zijn netto-inkomen als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden. Dit brengt mee dat het Hof niet meer behoefde toe te komen aan de vraag of art. 1:141 lid 4 en 5 BW hier toegepast moesten worden. Bij de "niet uitgekeerde winsten uit onderneming" als in dat artikel bedoeld, gaat het immers juist om winsten die geen deel hebben uitgemaakt van het aan de man toekomende netto-inkomen als omschreven in het verrekenbeding. De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Hoge Raad 8 januari 2010, LJN
BK1618