Partneralimentatie, bij bepaling draagkracht wordt geen rekening gehouden met maandelijkse last vanwege uitvoering achterstallig onderhoud aan voormalig echtelijke woning.

Vast staat dat de woning is toegedeeld aan de man voor een waarde van € 190.000,- zoals die op 10 juli 2014 is getaxeerd door [a] , taxateur te Hoorn. De man stelt dat de werkelijke waarde van de woning lager is, maar dat hij door deze taxatie in staat was de woning over te nemen nu de hypothecaire schuld € 190.000,- is.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de getaxeerde waarde van € 190.000,- niet overeenkomt met de werkelijke waarde van de woning. Uitgangspunt is de taxatie waartoe beide partijen opdracht hebben gegeven. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in dit geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De verklaring van [b] , financieel adviseur, van 14 september 2015 is in dit kader niet voldoende. De stellingen van de man met betrekking tot de onderwaarde van de woning en de mogelijke restschuld die zou zijn ontstaan bij verkoop van de woning aan een derde worden bij gebrek aan voldoende onderbouwing tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, verworpen.

Uitgaande van de toedeling van de woning aan de man voor de werkelijke waarde zullen door de man gedane uitgaven voor onderhoud aan en/of verbetering van de woning na de boedelscheiding leiden tot een waardevermeerdering van deze woning. Dergelijke uitgaven dienen er niet toe te leiden dat de draagkracht van de man vermindert, waardoor de vrouw een lagere alimentatie zal ontvangen. Los van de vraag of deze door de man gestelde onderhoudskosten in de toekomst daadwerkelijk zullen worden gedaan, zal het hof deze bij de bepaling van de draagkracht niet in aanmerking nemen.

Gerechtshof Amsterdam 2 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:345