Broer geen belanghebbende bij beslissing tot uithuisplaatsing van zijn broers of zusters. Vergeefs beroep op artikel 8 EVRM.

In deze zaak heeft de bijzonder curator over een van de betrokken kinderen namens dit kind hoger beroep ingesteld tegen de beslissing om zijn broers en zusters onder toezicht te stellen. Er werd hierbij een beroep gedaan op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht van de andere minderjarige kinderen op bescherming van hun gezinsleven met het betrokken kind. Dit beroep is volgens de Hoge Raad tevergeefs voorgesteld. Voor die andere minderjarige kinderen kunnen immers geen rechten en verplichtingen voortvloeien uit het ouderlijk gezag over dat kind terwijl voor die minderjarigen evenmin rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit de verzorging en opvoeding van dat kind. De slotsom was volgens de Hoge Raad dat de bijzonder curator die opkwam voor het betrokken minderjarige kind geen belanghebbende was voorzover het ging om de beslissing van de kinderrechter met betrekking tot de uithuisplaatsing van zijn broers en zusters

Het voorgaande laat overigens onverlet dat deze andere minderjarige kinderen hun uit het gezinsleven voortvloeiende, door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op omgang met het uithuisgeplaatste kind zonodig zelfstandig kunnen effectueren door op de voet van art. 1:377a en 377g BW een verzoek aan de rechter te doen tot vaststelling van een omgangsregeling.

Hoge Raad, 21 mei 2010, LJN BL7043