Kan het bepaalde in artikel 1:81 BW (getrouwheid, hulp, bijstand en elkander het nodige verschaffen) basis zijn voor vermogensoverdracht na het huwelijk? (Bloemendaalse horeca)

Hoge Raad:

Met de primaire, subs. en meer subs. vordering sub c. maakt de vrouw aanspraak op overdracht van een deel van het vermogen van de man in de plaats van een periodieke uitkering tot levensonderhoud. Het middel betoogt dat zodanige vordering in het kader van een echtscheidingsprocedure in beginsel toewijsbaar is wanneer zij tot strekking heeft een der echtgenoten na echtscheiding de mogelijkheid te geven in het eigen levensonderhoud te voorzien en tot uitgangspunt heeft dat de in art. 1:81 BW neergelegde verzorgingsplicht die echtgenoten jegens elkander hebben in verband met de echtscheiding wordt omgezet in een recht op (een gedeelte van) het tijdens het huwelijk door de inspanningen van beide echtgenoten opgebouwde vermogen, dan wel op een uitkering in de plaats daarvan. Dat betoog vindt geen steun in het recht. Met juistheid overweegt het Hof dat uit de wetsgeschiedenis van art. 92a, met name uit het in zijn arrest aangeduide deel van de Memorie van Toelichting, blijkt dat voor de in art. 81 genoemde verplichting elkander in materieel opzicht het nodige te verschaffen na scheiding van tafel en bed en ook na echtscheiding een (eventuele) verplichting tot het betalen van een uitkering tot levensonderhoud in de plaats treedt, welke thans is neergelegd in art. 157 lid 1 en lid 2.
Of een zodanige verplichting bestaat, moet worden beoordeeld aan de hand van de na de scheiding ontstane situatie, terwijl zij voorts leidt tot een in beginsel voor wijziging vatbare uitkering, waarvan de omvang telkens naar de omstandigheden moet worden bepaald. Daarmee strookt niet dat een recht zou bestaan op vermogensoverdracht als door het middel voorgestaan.
Het middel faalt derhalve.

Hoge Raad 4 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8961

Noot:
In zijn noot onder het arrest dat werd gepubliceerd (NJ 1988, 678) geeft prof. E.E.A.L. Luijten de rechtsvraag en het antwoord daarop treffend neer in een enkele zin: "Op art. 1:81 BW is geen eis tot ‘reallocatie’ van vermogen na echtscheiding te bouwen als elke gemeenschap van goederen was uitgesloten."