Is de rechter verplicht een minderjarige beneden de 12 jaar te horen als daar uitdrukkelijk om wordt gevraagd?

In deze casus is volgens het gerechtshof door de man ten onrechte het standpunt ingenomen dat er sprake zou zijn van een ontzeggingsgrond waardoor de vrouw geen recht op omgang zou hebben met de kinderen. De vrouw zou volgens de man door haar opstelling een omgangsregeling onuitvoerbaar maken.
Volgens het gerechtshof is de verklaring voor het ouderklimaat echter volledig te wijten aan de ouders zelf die niet ten volle hun verantwoordelijkheid als ouders willen of kunnen nemen. Dientengevolge werken zij een loyaliteitsconflict bij de kinderen in de hand en houden het door hun gedragingen over en weer ook in stand.
De man stelde dat de rechter dan de kinderen maar moest horen. Op die wijze zou duidelijk worden dat de kinderen geen behoefte meer zouden hebben in een omgangsregeling met de vrouw. Het gerechtshof zag niets in de suggestie van de man. Tegen dit oordeel heeft de man geklaagd bij de Hoge Raad. De Hoge Raad is niet ingegaan op deze klacht maar de Advocaat-Generaal heeft in deze zaak wel het onderdeel besproken in zijn advies aan de Hoge Raad. Het advies op dit punt luidt als volgt:
" Ingevolge art. 809 Rv. kan de rechter minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt - zoals [kind 2] en [kind 3] ten tijde van de uitspraak van het hof - in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. Anders dan de klacht betoogt, behoeft de rechter zijn beslissing om kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar niet te horen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in dit geval niet is gebleken, niet te motiveren (HR 24 januari 2003, LJN: AF0204, NJ 2003, 198 m.nt. SFMW, rov. 3.3). De klacht faalt dan ook."
Hoge Raad 22 december 2009,
BK3575