Hoge advocaatkosten verhinderen terugwerkende kracht kinderalimentatie

3.7.1.
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Ingevolge vaste jurisprudentie heeft evenwel in het algemeen als uitgangspunt te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik dient te maken van zijn bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden.

3.7.2.
Het hof zal de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting bepalen op
1 maart 2015, zijnde de eerste dag volgend op de maand waarin de bestreden beschikking is gegeven. In het licht van de beperkte financiële middelen van de man neemt het hof hierbij in aanmerking de lange tijdspanne tussen de datum waarop de vrouw haar zelfstandig verzoek strekkende tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft ingediend en de datum waarop de bestreden beschikking is gegeven.

Voorts neemt het hof hierbij in aanmerking de onweersproken stelling van de man dat hij geen gelden heeft kunnen reserveren omdat hij in het kader van de procedure strekkende tot vaststelling van een zorgregeling hoge advocaatkosten heeft moeten maken. De op de ingangsdatum betrekking hebbende grief van de man slaagt aldus.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:668