Kan een partij van wie een verzoek tot echtscheiding door eerste rechter is toegewezen in hoger beroep gaan tegen deze beslissing indien deze partij er bij nader inzien de voorkeur aan geeft van het verzoek af te zien?

Naar het oordeel van het hof moet de vrouw in haar hoger beroep, voor zover gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, niet-ontvankelijk worden verklaard. Het rechtsmiddel van hoger beroep is immers niet gegeven om een partij wier verzoek tot echtscheiding door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken, omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien. Vgl HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2249 en HR 4 juni 1999, LJN:BL8473, NJ 1999,535. Vaststaat dat de vrouw in eerste aanleg, net als de man bij zelfstandig verzoek, heeft verzocht om de echtscheiding. Verder heeft de vrouw in hoger beroep de stelling van de man dat er immer sprake was en nog altijd is van de duurzame ontwrichting, niet weersproken. Bijzondere omstandigheden die in het onderhavige geval tot een andere slotsom zouden noodzaken, zijn niet aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden.

Het hof ziet in de wijze waarop de vrouw heeft geprocedeerd en de man nodeloos in de procedure heeft betrokken aanleiding om de vrouw in de kosten van het indienen van het verweerschrift betreffende de echtscheiding van de man. Voor het overige zal het hof de proceskosten compenseren.

Gerechtshof Den Haag 16 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3536