Erkenning Marokkaans echtscheidingsvonnis

Op grond van artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed in Nederland erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam. Op grond van artikel 10:59 BW wordt aan een in het buitenland tot stand gekomen ontbinding van het huwelijk erkenning onthouden indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Daarvan is sprake als deze evident in strijd is met waarden en normen die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden beschouwd.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de Marokkaanse rechter geen rechtsmacht toekwam, nu deze zijn rechtsmacht heeft aangenomen op grond van de onjuiste veronderstelling dat de man woonplaats had in Casablanca, gaat het hof hieraan voorbij. De vraag of de Marokkaanse terecht rechtsmacht heeft aangenomen, moet worden beoordeeld aan de hand van internationale maatstaven. Het feit dat beide partijen de Marokkaanse nationaliteit hebben voldoet aan voornoemde maatstaven.

Met betrekking tot de stelling van de vrouw dat het Marokkaanse vonnis niet na een behoorlijke rechtspleging tot stand is gekomen omdat zij gehinderd werd in haar procesvoering, overweegt het hof als volgt.

Uit het vonnis blijkt dat de vrouw zich in de echtscheidingsprocedure in Marokko heeft gesteld, van rechtsbijstand was voorzien, inhoudelijk verweer heeft gevoerd – haar standpunt ten aanzien van de (reden van de) door de man verzochte echtscheiding en de gevolgen van de echtscheiding voor haar en de kinderen zijn expliciet in het vonnis weergegeven – en verzocht heeft de door haar in het vonnis gespecificeerde financiële rechten ten aanzien van haar zelf en de kinderen toe te wijzen. De vrouw is van het vonnis in hoger beroep gegaan, doch heeft dit op eigen initiatief weer ingetrokken. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volgehouden dat het feit dat de vrouw de Arabische taal niet machtig is en niet over een tolk beschikte, impliceert dat van een behoorlijke rechtspleging geen sprake is geweest.

Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de echtscheiding in strijd met de in Marokko voor de onderhavige situatie voorgeschreven procedure tot stand is gekomen, nu er geen sprake is geweest van een verzoeningspoging, zodat sprake is van strijd met de openbare orde, overweegt het hof als volgt. Zo de juiste procedure al niet is gevolgd – hetgeen door de man wordt betwist – en er, hoewel voorgeschreven, geen verzoeningspoging is geweest – hetgeen wordt weersproken door het echtscheidingsvonnis dat melding maakt van drie verzoeningszittingen, bij twee waarvan de vrouw en haar vertegenwoordiger verstek hebben laten gaan – is er naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de openbare orde, nu de echtscheiding is uitgesproken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk, hetgeen naar Nederlands recht eveneens grond is voor echtscheiding. Dat de vrouw naar Marokkaans recht geen recht heeft op partneralimentatie maakt evenmin dat het Marokkaanse vonnis in strijd komt met de openbare orde.

Hetgeen de vrouw overigens met betrekking tot de handelswijze van de man heeft gesteld - zijn nieuwe huwelijk tijdens de echtscheidingsprocedure, het plegen van valsheid in geschrifte en het verstrekken van onjuiste gegevens aan de rechtbank -, voor zover daarvan al in het licht van de betwisting van de man vanuit kan worden gegaan, staat zulks aan de erkenning van het Marokkaanse vonnis niet in de weg.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldaan aan de vereisten van artikel 10:57 BW, zodat het echtscheidingsvonnis van 24 juli 2012 in Nederland wordt erkend.

Gerechtshof Den Bosch, 9 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2586