Vreemdgaan grond voor dwaling. Samenlevingsovereenkomst waarin de man verregaande financiele verplichtingen aanging met de vrouw werd vernietigd.

In een affectieve relatie zijn partijen in beginsel vrij om te bepalen in hoeverre hoogstpersoonlijke informatie, waaronder informatie over het gevoels- en liefdesleven, wordt gedeeld met de partner. Indien bij het sluiten van een samenlevingsovereenkomst de ene partner aan de andere hoogstpersoonlijke informatie als zojuist bedoeld niet mededeelt, en voor zover de aard van de overeenkomst (dan wel van het gedeelte daarvan dat de andere partner op grond van dwaling wenst te vernietigen) zich niet tegen de mogelijkheid van een zodanige vernietiging verzet, heeft het volgende te gelden. Het antwoord op de vraag of de samenlevingsovereenkomst in een zodanig geval vernietigbaar is wegens dwaling, is ervan afhankelijk of de andere partner feiten en omstandigheden stelt (en zo nodig bewijst) op grond waarvan moet worden aangenomen dat deze de samenlevingsovereenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten, en dat de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, die andere partner had behoren in te lichten. Uit het vorenoverwogene volgt dat aan deze laatste eis in gevallen als hier bedoeld niet spoedig is voldaan, maar dat dit in bijzondere, door de dwalende aannemelijk te maken, omstandigheden anders kan zijn. In verband met dat laatste valt te denken aan informatie waarvan de juistheid en volledigheid, naar de ene partner weet of behoort te begrijpen, in de bijzondere omstandigheden van het geval voor de andere partner essentieel zijn voor de beslissing de samenlevingsovereenkomst te sluiten, ondanks het hoogstpersoonlijke karakter van die informatie.

Volgens de door het hof weergegeven stellingen van [verweerder] (rov. 5.3-5.8) heeft hij aangevoerd dat voor hem bij het sluiten van de hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde samenlevingsovereenkomsten, die [eiseres] financieel in een aanmerkelijk betere positie brachten, in de bijzondere omstandigheden van het geval essentieel was dat de relatie van [eiseres] met [betrokkene 1] was geëindigd, alsmede dat voor [eiseres] kenbaar was dat dit voor hem essentieel was.
De vaststellingen omtrent de feitelijke gang van zaken waartoe het hof in rov. 5.13-5.17 is gekomen, zijn niet onbegrijpelijk.

Het oordeel van het hof in rov. 5.18 komt erop neer dat die vaststellingen in de bijzondere omstandigheden van dit geval – in het bijzonder de uitvoerige gesprekken die partijen hebben gevoerd voordat zij besloten met elkaar verder te gaan na de eerste beëindiging van de relatie tussen [eiseres] en [betrokkene 1] in december 2003 – tot de gevolgtrekking leiden dat [eiseres] voorafgaand aan de totstandkoming van de eerste samenlevingsovereenkomst aan [verweerder] had moeten mededelen dat haar relatie met [betrokkene 1] tot kort voordien hervat was geweest, dat [eiseres] die mededeling niet heeft gedaan, en dat ook aan de overige vereisten voor dwaling is voldaan, zodat het beroep op dwaling slaagt. Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.3 is overwogen, geeft ook anderszins geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige verweven met waarderingen van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. De onderdelen falen derhalve.

Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:416