Wanneer is omgang niet in het belang van een minderjarige?

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de relatie van de ouders zeer verstoord is, waardoor er thans bij de vrouw geen draagvlak is voor een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] . Een omgangsregeling is derhalve niet in het belang van [de minderjarige] , aldus de Raad.

De bijzondere curator heeft in haar rapport van 9 april 2015 vermeld dat de huidige problemen tussen de ouders voortkomen uit een zeer ernstige conflictsituatie, waardoor iedere basis van vertrouwen tussen hen ontbreekt en er geen enkele directe communicatie tussen hen mogelijk is. De bijzondere curator acht omgang om dit moment nog niet in het belang van [de minderjarige] , aangezien er bij de vrouw geen draagkracht is voor omgang.

Met de Raad is het hof van oordeel dat de verhouding tussen de man en de vrouw zodanig ernstig is verstoord dat er bij de vrouw geen enkel draagvlak aanwezig is om een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] vast te stellen. Nader onderzoek door de Raad is niet nodig, ook omdat gebleken is dat de vrouw met hulp vanuit school [de minderjarige] voorziet van benodigde begeleiding.

Gebleken is dat de vrouw nog geen afstand heeft kunnen nemen van gebeurtenissen die in het verleden tussen haar en de man hebben plaatsgevonden, hetgeen in stand lijkt te worden gehouden door de wijze waarop man zich tegenover de vrouw gedraagt. Als gevolg daarvan is de vrouw ook bang dat de veiligheid van [de minderjarige] niet gewaarborgd is wanneer hij bij de man is. De vrouw heeft aldus geen enkel vertrouwen in de man, waardoor het voor haar niet mogelijk is eraan mee te werken dat [de minderjarige] contact met de man heeft, laat staan dat [de minderjarige] bij hem verblijft. De man heeft overigens, nadat hij de zittingszaal had verlaten, bij monde van zijn advocaat laten weten dat hij zich refereert aan het oordeel van het hof.

In het licht van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat een afgedwongen totstandbrenging of uitvoering van omgang tussen de man en [de minderjarige] een reëel risico oplevert dat [de minderjarige] klem komt te zitten of verloren raakt tussen de ouders, met als gevolg dat omgang thans in strijd is met zijn zwaarwegende belangen, als bedoeld in artikel 1:377a lid 3, aanhef en onder d BW. Het hof zal het verzoek van de man in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3361