Verzoek om bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden in het geding te brengen afgewezen. Lotsverbondenheid.

de lotsverbondenheid

5.3
De man stelt in zijn eerste grief in het incidenteel hoger beroep dat tussen partijen geen sprake is van lotsverbondenheid. Het hof zal deze grief eerst beoordelen, nu dit het meest verstrekkende verweer van de man betreft. De man stelt dat hij onder dwang is gehuwd en dat partijen zich nimmer, op welke wijze dan ook, als echtelieden hebben opgesteld. Hij heeft nooit zelfstandig met de vrouw samengewoond en er is nagenoeg geen contact met elkaar geweest. Hij is na het huwelijk - onder druk van de wederzijdse families - slechts éénmaal terug geweest naar Afghanistan. Verder hebben partijen slechts éénmaal gedwongen geslachtsgemeenschap gehad. De man voelt zich aan alle kanten misbruikt. Doordat hij onder druk is gehuwd staat hij tot op de dag van vandaag nog onder behandeling van een psycholoog wegens PTSS. Bovendien heeft de vrouw zich - tegen de culturele regels in - aan het toezicht van zijn familie onttrokken, hetgeen zij ook straffeloos kon doen omdat haar familie “de macht heeft” ten opzichte van zijn familie, aldus de man. De vrouw is zonder enige aankondiging aan hem naar Nederland gekomen en zij heeft zich opzettelijk niet bij hem gevestigd, zodra dat mogelijk was. Verder stelt de vrouw dat hij haar heeft bedreigd, dat hij haar lastig valt, dat zij bang voor hem is en dat zij gevoelens van haat, wrok, genoegdoening en gekrenkte trots jegens hem heeft, aldus nog steeds de man. Al deze stellingen dragen bij tot de conclusie dat er geen enkele lotsverbondenheid tussen partijen is. De man verwacht dat uit de documentatie van de asielaanvraag van de vrouw naar voren komt dat volgens haar geen sprake is van enige lotsverbondenheid. Hij is een speelbal geweest in het complot van de vrouw en haar familie om haar naar Nederland, althans naar het Westen te krijgen. Wat [het kind] betreft ziet hij zich enkel als verwekker en hij heeft om die reden ook geen vader/dochter relatie met haar. Hieruit blijkt dat hij geen enkele lotsverbondenheid heeft met de moeder van [het kind]. Hij kan het niet opbrengen om enige vaderlijke affectie te voelen voor het kind dat niet uit liefde, maar onder grote dwang is verwekt. De rechtbank heeft ten onrechte de partneralimentatie toegewezen en de door hem aangevoerde gronden ten onrechte niet in onderling verband bezien. Ook verhoudt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van lotsverbondenheid zich niet met het oordeel van de rechtbank dat de vrouw alleen wordt belast met het gezag over [het kind] en dat geen omgangsregeling wordt vastgesteld.

5.4
De vrouw heeft het vorenstaande betwist. Volgens de vrouw zijn partijen niet onder dwang gehuwd. De man is meerdere malen in het vliegtuig gestapt om haar te bezoeken. Ook hebben zij samen een kind gekregen. Na het huwelijk is zij - hetgeen gebruikelijk is in Afghanistan - bij de familie van de man gaan wonen. De man had de belofte gedaan dat hij haar mee zou nemen naar Nederland, waar ze zouden gaan samenwonen in de woning van de man, aldus de vrouw. De rechtbank heeft wel degelijk de door de man aanvoerde gronden in onderling verband bezien. De beslissing van de rechtbank over het gezag en de omgangsregeling maakt dit niet anders. De man is weigerachtig zijn vaderrol voor [het kind] te vervullen en wenst geen enkele invulling aan het gezag te geven. Het belang van [het kind] staat los van de lotsverbondenheid tussen de man en haar. Dat de verhoudingen tussen ouders verstoord zijn betekent niet dat geen sprake is van lotsverbondenheid tussen (ex)echtgenoten, aldus de vrouw.

5.5
Anders dan de man heeft betoogd, ziet het hof geen reden om aan te nemen dat er tussen partijen geen sprake is (geweest) van lotsverbondenheid. Er heeft tussen partijen een rechtsgeldig huwelijk bestaan, waaruit een wettelijke onderhoudsverplichting voortvloeit. De rechtsgrond voor een alimentatieplicht na echtscheiding is het huwelijk en de door het huwelijk van rechtswege in het leven geroepen nauwe persoonlijke lotsverbondenheid.

5.6
In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen. Het door de man geschetste gedrag is, wat daarvan ook zij, niet te beschouwen als zodanig wangedrag dat van de man in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd tot het levensonderhoud van de vrouw bij te dragen. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep van de man faalt.

Ten aanzien van het verzoek tot afgifte

5.7
Op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter - in alle gevallen en in elke stand van de procedure - (een van) partijen bevelen om bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden in het geding te brengen. Bij een niet gerechtvaardigde weigering daartoe kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

5.8
In zijn tweede grief in incidenteel hoger beroep stelt de man dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek op grond van artikel 22 Rv heeft gepasseerd, waarin hij de rechtbank heeft verzocht van de vrouw te verlangen dat zij alle documentatie ter zake van de asielvraag in het geding brengt. De man heeft het vermoeden dat de vrouw in haar asielaanvraag ernstige verwijten richting hem heeft gemaakt, maar dat zij niet wil dat die verwijten in deze procedure kenbaar worden, omdat diezelfde verwijten haar aanspraak op partneralimentatie onderuit halen. De vrouw heeft pas nadat haar verblijfsrecht verzekerd was aan hem kenbaar gemaakt dat zij in Nederland was. De enige reden hiervoor is dat hij niet geraadpleegd zou worden door de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Er zit een discrepantie tussen de asielaanvraag van de vrouw, waar ze waarschijnlijk heeft verklaard dat zij slecht werd behandeld in Afghanistan door zijn familie, en hetgeen zij in deze procedure stelt over de welvaart tijdens het huwelijk. Bovendien zit er een discrepantie in het verhaal van de vrouw dat zij graag bij de man wil blijven en het feit dat zij ruim vijf maanden in Nederland was en zich in die maanden verborgen houdt voor de man. De vrouw heeft zich gerealiseerd dat haar asielverblijf tijdelijk is en heeft alsnog een verblijfsanker gezocht in family-life, namelijk door een omgangsregeling tussen hem en [het kind] te verzoeken.
De man verzoekt het hof met een beroep op artikel 22 Rv alsnog van de vrouw te verlangen dat zij alle documentatie met betrekking tot haar asielaanvraag in het geding brengt. De vertrouwelijkheid waarop de vrouw zich beroept richt zich uitdrukkelijk niet mede tegen de echtgenoot van de asielaanvrager.

5.9
De vrouw ziet niet in waarom haar asieldossier van essentieel belang is in deze zaak. Aan haar is een verblijfsvergunning asiel verleend. Zij heeft een kopie van de beschikking waarin haar aanvraag voor asiel is ingewilligd overgelegd. De vrouw stelt dat zij zeer slecht werd behandeld bij haar schoonfamilie. Na haar aankomst in Nederland heeft zij geprobeerd in contact te komen met de man. Uiteindelijk is er een gesprek geweest op het asielzoekerscentrum. De man heeft van dit gesprek een geluidsopname gemaakt en een samenvatting van dit gesprek in de procedure gebracht. Uit het gesprek blijkt dat de man de vrouw niet wilde en dat zij hem gesmeekt heeft niet uit elkaar te gaan, aldus de vrouw. In de asielprocedure is beoordeeld of zij bescherming nodig heeft voor hetgeen haar in het land van herkomst is overkomen dan wel te wachten staat. Deze procedure is vertrouwelijk en dat vormt een gewichtige reden, die maakt dat het niet overleggen van het gehele asieldossier rechtvaardig kan worden geacht. De inhoud van het asieldossier zal ook geen ander licht op de zaak werpen.

5.10
Hetgeen de man stelt ten aanzien van de inhoud van het asieldossier berust naar het oordeel van het hof op door de vrouw betwiste veronderstellingen die verder niet zijn onderbouwd. Het hof acht dit, mede gelet op hetgeen onder 5.3 e.v. is overwogen ten aanzien van de lotsverbondenheid tussen partijen onvoldoende om gebruik te maken van de hem in artikel 22 Rv gegeven bevoegdheid om de vrouw te veroordelen tot overlegging van het asieldossier. Grief 2 in het incidenteel hoger beroep van de man faalt.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8472