Verlenging van alimentatie na wettelijke termijn van 12 jaar. Ernstige hartklachten.

Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, NJ 2009, 136 (LJN: BF3928), naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
- in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
- de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
- de verwachting van partijen toen zij huwden;
- de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

Allereerst dient het hof te beoordelen of beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man ingrijpend is voor de vrouw. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat uit vergelijking van de situatie vóór de beëindiging met de situatie na de beëindiging volgt dat de inkomensachteruitgang van de vrouw ten gevolge van de beëindiging ingrijpend is.

Het hof acht de door de vrouw aangevoerde omstandigheden van dien aard, dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar niet van de vrouw kan worden gevergd. Het hof overweegt in het bijzonder dat het de vrouw niet valt aan te rekenen dat zij gedurende de termijn van twaalf jaar als gevolg van haar persoonlijke omstandigheden er niet in is geslaagd om haar leven zo in te richten dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Die persoonlijke omstandigheden zijn gelegen in de progressieve hartstoornis die zich bij de vrouw reeds tijdens het huwelijk van partijen heeft geopenbaard en waarvan de gevolgen zich gedurende de laatste jaren steeds sterker hebben doen gelden. Als gevolg daarvan heeft de vrouw een beperkt energieniveau. De vrouw heeft onder meer een rapportage van J.M. Fokke, verzekeringsarts overgelegd, opgemaakt naar aanleiding van een op 15 april 2009 afgenomen verzekeringsgeneeskundig onderzoek, verder te noemen “de rapportage van Fokke”. Daaruit blijkt onder andere dat de vrouw als gevolg van haar hartproblematiek ernstig is beperkt ten aanzien van de energetische belastbaarheid. Haar hartfalen is volgens deze rapportage zo ernstig dat de vrouw alleen in rust geen klachten heeft. In de praktijk betekent dit dat de vrouw volgens de rapportage van Fokke niet meer dan twee tot vier uur op een dag werkzaam kan zijn, met bovendien ook nog een lange herstelperiode tussendoor. Het hof acht het, mede gezien de rapportage van Fokke, niet aannemelijk dat de vrouw zich in de toekomst nog op enigerlei wijze met arbeid meer inkomen zal kunnen verwerven dan zij thans doet, en dat kan in de onderhavige situatie ook niet van haar worden gevergd. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de afgelopen 12 jaar gedaan wat in haar vermogen lag om zoveel als mogelijk in haar eigen inkomen te voorzien. Niet aannemelijk is dat de vrouw, mede gelet op inhoud van de rapportage van Fokke, in staat is een hoger inkomen te verwerven, nu daaruit verder blijkt dat de verwachting is dat de belastbaarheid en mogelijkheden van de vrouw op de langere termijn nog verder zullen verslechteren. Anders dan de man is het hof van oordeel dat uit de samenhang tussen de rapportages van het St. Antonius Ziekenhuis uit 2008 en de rapportage van Fokke, die blijkens de toelichting ook informatie van dr. L.V.A. Boersma, cardioloog, van 7 november 2006 ter beschikking had, voldoende blijkt dat de hartklachten van de vrouw ook in de afgelopen 12 jaar aanzienlijk waren en dat er sprake is van een progressieve cardiomyopathie die haar oorsprong had in 1994. Voor zover de man stelt dat de vrouw in loondienst had kunnen gaan werken zodat zij in principe aanspraak had kunnen maken op een sociale verzekeringsuitkering, is het hof van oordeel dat de vrouw voldoende heeft toegelicht dat dit voor haar, mede gezien de belasting die de zorg voor de drie kinderen voor haar meebracht, niet haalbaar was. Het hof neemt daarbij in aanmerking de geringe kans dat de vrouw, gelet op haar gezondheidstoestand en gelet op het geringe aantal uren dat zij kon werken, door een werkgever in dienst zou zijn genomen. Dat de vrouw voldoende mogelijkheden heeft gehad om voorzieningen te treffen om in eigen levensonderhoud te voorzien, zoals de man stelt, acht het hof niet aannemelijk gemaakt. Het hof houdt verder rekening met de leeftijd van de vrouw, zij is thans 51 jaar. Gelet op haar lichamelijke beperkingen is de arbeidsmarkt niet gunstig voor haar. Zonder onderhoudsbijdrage zou de vrouw onder bijstandsniveau moeten leven en daarom is elke bijdrage in haar levensonderhoud van belang. Beëindiging van de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud zou grote gevolgen hebben voor haar bestaansniveau. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel de omstandigheid dat de man, hoewel hij van de progressieve aard van de ziekte niet op de hoogte was, al tijdens het huwelijk van partijen bekend was met de hartstoornis van de vrouw.

Gerechtshof Amsterdam, 19 januari 2010, LJN BL0885