Door welk nationaal recht worden de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen van partijen beheerst?

Het gaat in hoger beroep om de vraag door welk nationaal recht de huwelijksvermogensrechtelijke betrekkingen van partijen wordt beheerst. Nu partijen op [datum] 2010 zijn gehuwd, moet het toepasselijke recht worden vastgesteld aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1987, Trb 1988, 130 (hierna: HHV). Vast staat dat partijen geen rechtskeuze hebben gedaan in de zin van artikel 3 HHV en voorts dat zij ten tijde van de huwelijkssluiting of daarna niet dezelfde nationaliteit hadden.

Het komt dan aan op de vraag of partijen samen een eerste gewone verblijfplaats (‘eerste huwelijksdomicilie’) hebben gevestigd in de zin van artikel 4 lid 1 HHV, dan wel, indien dit niet het geval is, op de vraag met het interne recht van welke Staat hun huwelijksvermogensregime, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwste verbonden is (artikel 4 lid 3 HHV). Het begrip gewone verblijfplaats moet volgens vaste rechtspraak worden uitgelegd als de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn. Voorts geldt volgens vaste rechtspraak, behoudens bijzondere omstandigheden, daarbij als uitgangspunt dat echtgenoten een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 HHV slechts gedurende de eerste zes maanden na hun huwelijk kunnen vestigen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen geen eerste huwelijksdomicilie hebben gevestigd, en dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is met Nederland, zodat vanaf de aanvang van het huwelijk Nederlands recht daarop van toepassing is geweest. Op grond daarvan heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen.

Naar de mening van de vrouw hebben partijen wel degelijk hun eerste huwelijksdomicilie in Thailand gevestigd, zodat op grond van artikel 4 lid 1 HHV vanaf de huwelijkssluiting het Thaise recht van toepassing is. Anders dan de vrouw meent, zou dit naar het oordeel van het hof overigens niet tot gevolg hebben dat vanaf het moment van vestiging van partijen in Nederland (15 december 2010) alsnog Nederlands recht van toepassing zou zijn. Die situatie valt niet onder de gevallen waarin op grond van artikel 7 HHV een automatische wijziging van het toepasselijke recht plaatsvindt. In zoverre is de verzochte verklaring voor recht dus in elk geval niet toewijsbaar.

Het hof overweegt als volgt. Voor het vestigen van een eerste huwelijksdomicilie in de zin van artikel 4 lid 1 HHV is nodig dat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben. Vast staat dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting nog geen gewone verblijfplaats in Nederland had, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zij in elk geval tot haar komst naar Nederland op 15 december 2010 haar gewone verblijfplaats had in Thailand. Het komt dus aan op de vraag of de gewone verblijfplaats van de man op enig moment in de periode van [datum] 2010 tot 15 december 2010 van Nederland naar Thailand is verplaatst.

Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is. Daarvoor is het volgende redengevend. De man heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken gesteld dat de reden dat het huwelijk van partijen in Nederland is voltrokken was dat er geen onduidelijkheid over zou bestaan dat het een Nederlands huwelijk zou zijn. De man betwist tegen die achtergrond dat partijen na het huwelijk besloten hadden of de intentie hadden zich vooralsnog in Thailand te vestigen. Hij betwist voorts dat de reden van terugkeer naar Nederland uitsluitend was gelegen in problemen met de Belastingdienst. Volgens hem was het de bedoeling van partijen dat de vrouw naar Nederland zou komen zodra zij beschikte over een verblijfsvergunning.

Het hof stelt vast dat de man gedurende zijn verblijf in Thailand zijn koopwoning in Nederland heeft behouden, alwaar partijen vanaf hun komst naar Nederland ook zijn gaan wonen. Gedurende de periode in Thailand is de man steeds in Nederland ingeschreven gebleven in de gemeentelijke basisadministratie. De man heeft onbetwist gesteld dat hij zich niet in Thailand heeft ingeschreven en aldaar ook geen aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning. Voorts staat vast dat de man steeds de beschikking had over een Nederlandse WW-uitkering. Al deze omstandigheden vormen aanwijzingen dat de gewone verblijfplaats van de man toen niet is verplaatst, en dat het evenmin zijn bedoeling is geweest om die te verplaatsen, in weerwil van het feit dat het verblijf in Thailand uiteindelijk zes maanden heeft geduurd.

Hetgeen de vrouw daartegenover heeft gesteld is, ook in onderling verband bezien, onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Dat de vrouw haar appartement en werkzaamheden in [c] heeft aangehouden wil nog niet zeggen dat de man, die immers zijn eigen huis en zijn uitkering in Nederland aanhield, de intentie had om zich permanent in Thailand te vestigen. Ook de stelling van de vrouw dat partijen op zoek zijn geweest naar een woning in Thailand, maakt dit niet anders. Daaruit volgt niet dat de man op dat moment zijn gewone verblijfplaats in Thailand had. De vrouw heeft voorts gewezen op de aankoop in die periode van de Isuzu pick up. Daartegenover heeft de man gesteld dat het de bedoeling was om later regelmatig naar Thailand te reizen en dat partijen dan over deze auto zouden kunnen beschikken, en voorts dat die pick up ook bij familieleden van de vrouw in gebruik was. In het licht van dit verweer kan ook uit de aankoop van de pick up zonder nadere toelichting, welke echter ontbreekt, niet worden afgeleid dat gewone verblijfplaats van de man naar Thailand was verplaatst. Ook het feit dat de vrouw [bedrijf] in Thailand heeft laten inschrijven maakt dit niet anders, reeds nu uit de overgelegde documentatie van dit bedrijf, die overigens grotendeels in de Thaise taal is opgesteld, blijkt dat het bedrijf (in elk geval mede) als adres hanteerde [a] te [b] , zijnde het adres van de woning van de man, en als telefoonnummer (mede) een Nederlands mobiel nummer had. Tot slot heeft de vrouw erop gewezen dat zij in juli 2010 haar inburgeringsexamen heeft behaald, maar pas in november 2010 een verblijfsvergunning heeft aangevraagd. Ook uit die stelling volgt echter niet dat in de tussentijd de gewone verblijfplaats van de man was verlegd naar Thailand, nog te minder nu de man als verklaring voor deze vertraging ter zitting in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat de Nederlandse ambassade in [c] in de periode na juli 2010 als gevolg van een corruptieschandaal en later als gevolg van een overstroming geruime tijd gesloten is geweest.

Al met al is het hof van oordeel dat, gedurende de periode tot 15 december 2010, de gewone verblijfplaats van de man niet naar Thailand is verplaatst, maar dat in Nederland is gebleven. Als gevolg daarvan hebben partijen geen eerste huwelijksdomicilie in Thailand gevestigd.

Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3435