Vechtscheiding waarbij de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Rustperiode.

De ondertoezichtstelling dient ertoe om door middel van een rustperiode een situatie te creëren waarin de moeder en de vader een weg weten te vinden om onder begeleiding van de gezinsvoogd tot een ouderschap te komen waarin ouderlijke verantwoordelijkheden worden gedeeld op een wijze welke rust voor de kinderen brengt en waarbij de kinderen optimaal kunnen profiteren van een te vestigen samenwerking van de vader en de moeder.

Tijdens de rustperiode verlopen de contacten tussen de moeder en de vader uitsluitend via de gezinsvoogd. De GI is bevoegd om de ouders vanuit de eigen visie van de GI bij elkaar te roepen indien de GI dat noodzakelijk acht. De GI is verder bevoegd te bepalen welke hulpverlening nodig is voor de ouders en de kinderen.

Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW. Het hof acht een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden en de doelstellingen te bereiken, waarbij niet uitgesloten wordt dat voor het doen ontstaan van een bestendige situatie wellicht een tijdelijke verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk zal zijn.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:21