Kan een beroepschrift dat te laat is ingediend worden behandeld als partijen het gerechtshof vragen de ontvankelijkheidsvraag te passeren?

De man is in eerste aanleg niet verschenen. Ingevolge lid 1 sub a van artikel 806 Rv kan in de onderhavige zaak hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. Ingevolge artikel 805 lid 1 Rv verstrekt of verzendt de griffier onverwijld een afschrift van de beschikking aan de verzoeker, de verschenen belanghebbenden en de niet-verschenen belanghebbenden aan wie een afschrift van het verzoekschrift is verzonden.

Het hof heeft ambtshalve informatie gekregen van de griffie van de rechtbank Oost-Brabant dat zowel het afschrift van het verzoekschrift eerste aanleg als de bestreden beschikking op de bij de wet voorgeschreven wijze zijn verzonden naar de man op het adres [adres] te [woonplaats] .
Uit het door de vrouw overgelegde uittreksel uit de basisregistratie personen van de gemeente [woonplaats] d.d. 29 juli 2014 blijkt voorts, zoals ter zitting reeds door de man is erkend, dat de man destijds stond ingeschreven op het adres aan de [adres] , [postcode] , te [woonplaats] .

Het hof is van oordeel dat het GBA-adres leidend is en dat het de verantwoordelijkheid van de man is om ervoor zorg te dragen dat de post op zijn GBA-adres hem tijdig bereikt, dan wel dat hij zijn GBA-adres in overeenstemming brengt met het adres waarop hij daadwerkelijk verblijft. De gevolgen hiervan dienen dan ook voor zijn rekening en risico te komen.

Gelet op het voren overwogene is het hof van oordeel dat de man ingevolge artikel 806 lid 1 Rv binnen drie maanden na de dag van de uitspraak (28 april 2014) zijn beroepschrift had moeten indienen. Nu het beroepschrift van de man op 18 december 2014 ter griffie van het hof is ingekomen, dient het hoger beroep van de man als niet tijdig te worden aangemerkt en is hij derhalve niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof is verder van oordeel dat door de man geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld, die tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof gaat voorbij aan de wens van partijen de ontvankelijkheidskwestie te passeren: de termijn waarbinnen het hoger beroep dient te worden ingesteld is van openbare orde; partijen kunnen daarvan niet in onderling overleg afwijken (Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413).

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3491

Noot:
Duidelijk is dat een hoger beroep echt binnen de termijn van 3 maanden na de dag van de uitspraak moet worden ingediend. E.e.a. hangt samen met de rechtszekerheid. Termijnen zijn van openbare orde. In de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad wordt het aldus verwoord:

" Tot uitgangspunt dient dat rechtsmiddeltermijnen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Voorts dient tot uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddeltermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Op laatstgenoemd uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten (vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3192, NJ 2009/488, en HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0510, NJ 2012/626)."