Hebben partijen een afspraak gemaakt over het al dan niet betalen van partneralimentatie? Beoordelingsmaatstaf.

Voor de beantwoording van de vraag of tussen partijen een overeenkomst met betrekking tot de partneralimentatie tot stand is gekomen, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hantering van deze (Haviltex)maatstaf kan ook leiden tot het oordeel dat mondeling, dan wel stilzwijgend afspraken tot stand zijn gekomen, of dat deze stilzwijgend (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd (ECLI:NL:HR:2009:BI6319 en ECLI:NL:HR:2011:BQ3876).

Het hof is van oordeel dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het hof heeft ter zitting in hoger beroep geconstateerd dat de vrouw ter zitting in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd met betrekking tot hetgeen partijen ten tijde van het uiteengaan al dan niet hebben afgesproken over de eventueel te betalen partneralimentatie die in tegenspraak is met hetgeen zij eerder in de procedure naar voren heeft gebracht.

Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 19 maart 2015 blijkt dat namens de vrouw destijds is verklaard dat de vrouw ten tijde van de scheiding geen partneralimentatie wilde ontvangen. Ook in het verweerschrift in hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat zij na de scheiding meende er goed aan te doen om financieel op eigen benen te staan. De vrouw vreesde dat financiële afhankelijkheid ertoe zou leiden dat de man zich zou blijven vastklampen aan een mogelijke hereniging. Om die reden heeft de vrouw, zo stelt zij, zich enige tijd proberen te redden met de financiële middelen die zij had. Pas enige tijd later heeft de vrouw geconcludeerd dat zij toch niet in staat was in haar eigen levensonderhoud te voorzien en heeft zij door middel van het onderhavige inleidend verzoekschrift alsnog aanspraak gemaakt op een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw echter verklaard dat zij ook ten tijde van de scheiding wel behoefte had aan partneralimentatie, maar dat de man haar had medegedeeld - hetgeen de man ter zitting in hoger beroep heeft betwist - dat zij geen recht had hierop. Het hof acht die stelling onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt het hof de juistheid van die stelling onaannemelijk voor gelet op het feit dat de vrouw die stelling pas ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht en die stelling haaks staat op haar consistente betoog in eerste aanleg en in haar verweerschrift in hoger beroep.

Gezien het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen bewust geen aanspraak heeft gemaakt op een bijdrage van de man in haar levensonderhoud, omdat zij financieel onafhankelijk wilde zijn van hem. Het hof is dan ook van oordeel dat er sprake is van een mondelinge overeenkomst tussen partijen, inhoudende dat de man geen partneralimentatie zou betalen aan de vrouw. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat zij reeds ten tijde van de scheiding aan de man heeft aangegeven dat zij behoefte had aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat zij hierop ook aanspraak zou hebben gemaakt als zij had geweten dat zij recht had op partneralimentatie, is het hof van oordeel dat de vrouw ook deze stelling, gelet op het voorgaande, onvoldoende heeft onderbouwd.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1893