Kinderalimentatie en faillissement. Nihilstelling vanaf december 2011 en terugbetaling.

Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij sinds 27 december 2011, datum faillissement, geen draagkracht meer heeft gehad om enige bijdrage te voldoen in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Uit de stukken blijkt genoegzaam dat de man zich in 2010 en ook in 2012 tot een advocaat heeft gewend ten einde tot wijziging van de opgelegde onderhoudsbijdragen te komen, maar dat aan de man geen toevoeging werd versterkt, terwijl tevens uit de overgelegde stukken is gebleken dat de man over onvoldoende middelen beschikte om de kosten van een alimentatie procedure zelf te dragen. Dat het verzoek eerst in een zo’n laat stadium is ingediend is daarmee voldoende verklaard. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat de vrouw op de hoogte was van het faillissement van de man. Het LBIO heeft immers reeds spoedig na datum faillissement aan de vrouw aangegeven dat er geen betalingsmogelijkheden waren vanwege het faillissement. Dat de man de vrouw niet rechtstreeks over het faillissement heeft ingelicht, doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af.

De man heeft vanaf de datum van zijn faillissement geen enkele bijdrage voldaan, zodat een nihilstelling per datum faillissement niet leidt tot een terugbetalingsverplichting zijdens de vrouw, die gedurende de gehele periode een bijstandsuitkering voor haar en de kinderen heeft ontvangen. In dit licht bezien deelt het hof de stelling van de vrouw, dat aan haar zijde sprake is van ingrijpende financiële gevolgen indien de onderhoudsbijdragen met ingang van 27 december 2011 op nihil worden gesteld, niet.

Het hof zal de door de man te betalen kinderbijdrage dan ook per datum faillissement op nihil stellen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4112