Vervangende toestemming voor behandeling ADHD kind

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Uit de omstandigheid dat in artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechter een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt, mag niet worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat in het belang van [dochter] medicatie ter vermindering van haar ADHD-klachten noodzakelijk is en dat - nu de vader die mede met het gezag over [dochter] is belast zijn toestemming voor voornoemde medische behandeling weigert - dientengevolge vervangende toestemming moet worden verleend.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1919