Vordering tot het vaststellen van een omgangsregeling in kort geding afgewezen

De reconventionele vordering strekt ertoe een omgangsregeling tussen de man en [kind] bindend vast te stellen. Daarmee heeft deze vordering een sterk declaratoir karakter, waarop toewijsbaarheid van de vordering reeds moet afstuiten. Bovendien heeft de rechtbank in haar beschikking voorlopige voorzieningen van 11 maart 2010 een spoedonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gelast. In dat kader is de Raad de opdracht meegegeven te bezien welke verblijfsregeling bij de andere ouder in het belang is van het kind. De in zaken als deze te betrachten zorgvuldigheid brengt dan mee, mede in verband met de aard en ernst van de verwijten die de vrouw aan het adres van de man maakt, dat het niet reëel is van de voorzieningenrechter te verwachten dat hij op voorhand een beslissing over de mogelijkheden tot omgang tussen de man en [kind] neemt zonder de resultaten van het door de Raad te verrichten onderzoek hierbij te kunnen betrekken. De belangen van het kind zouden zich daar ook faliekant tegen verzetten. Dat betekent onvermijdelijk dat de man nog enige tijd in het ongewisse moet blijven omtrent de mogelijkheden tot omgang met het kind. In het voortduren van die ongewisheid 'sec' kan echter nooit aanleiding worden gevonden de belangen die zijn gediend met een zorgvuldig Raadsonderzoek, zo maar te doorkruisen.

Rechtbank Maastricht, 2 juni 2010, LJN BM6640