Is een invaliditeitspensioen verknocht in de zin van het bepaalde in artikel 1:94 lid 3 BW?

Hoge Raad

3.2.
Het antwoord op de vraag of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich er tegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW – hangt, voor zover hier van belang, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

Het gaat te dezen om de aard van een invaliditeitspensioen, in de zin van een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van door invaliditeit wegvallende arbeidsinkomsten gedurende een tijdvak voorafgaande aan het tijdstip waarop de deelname aan het arbeidsproces wegens ouderdom pleegt te eindigen.Voor het in dit verband vaststellen van die aard zijn in het bijzonder de volgende omstandigheden van belang.

a. Een invaliditeitspensioen strekt tot vervanging van arbeidsinkomsten welke bij het ontbreken van invaliditeit zouden (kunnen) worden behaald. De uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon valt niet in de gemeenschap.

b. Anders dan ouderdomspensioenen, plegen invaliditeitspensioenen niet of slechts in beperkte mate te berusten op een geleidelijke, aan het voortduren van de arbeidsverhouding gekoppelde opbouw van aanspraken. Ook bij een invaliditeitspensioen uit hoofde van de ABPW speelt blijkens de aanvullingsregeling van art. F9 ABPW het opbouwelement een betrekkelijk ondergeschikte rol.

c. De grootte en de duur van een invaliditeitspensioen zijn in de regel afhankelijk van de graad van arbeidsongeschiktheid en het voortduren daarvan, derhalve van strikt individuele, soms wisselende omstandigheden aan de zijde van de rechthebbende.

d. Invaliditeit leidt in de regel niet alleen tot verlies van arbeidsinkomsten, maar ook tot vermindering van de mogelijkheden tot levensgeluk en tot verdere ontplooiing. Het verkrijgen van invaliditeitspensioen zal in de praktijk mede noodzakelijk zijn om aan de hieruit voortvloeiende achterstand het hoofd te kunnen bieden.

3.3.
De onder 3.2 vermelde omstandigheden geven steun aan de zienswijze dat een invaliditeitspensioen naar zijn aard moet worden beschouwd als een strikt persoonlijk recht van degene die door invaliditeit wordt getroffen.

3.4.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat een invaliditeitspensioen in voormelde zin naar zijn aard zo sterk aan de persoon van de door invaliditeit getroffen echtgenoot verknocht is dat het niet in de gemeenschap valt, ook niet bij wege van verrekening. Opmerking verdient dat ook aanspraken op uitkeringen op grond van de Ziektewet, de WAO en de AAW niet in de gemeenschap vallen.

Hoge Raad 23 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0567