Man verzoekt zelf om beëindiging gezamenlijk gezag ten behoeve van de vrouw. Ultieme afwijzing kinderen.

5.1
Ingevolge artikel 3, lid 1 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) dienen bij maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van het kind als uitgangspunt voor de daartoe te nemen beslissing. Volgens artikel 18 van het IVRK heeft een minderjarige er recht op dat zijn ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor zijn opvoeding en ontwikkeling dragen.

5.2
Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders feitelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Daarvoor acht de rechtbank tenminste een minimale vorm van constructieve communicatie tussen de ouders noodzakelijk.

5.3
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253n lid 1 BW kan het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 1:251a lid 1 BW, door de rechtbank worden gewijzigd indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.4
De rechtbank is op grond van de hiervoor door de man gestelde feiten en omstandigheden, welke door de vrouw niet zijn weersproken, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de omstandigheden sinds de echtscheidingsbeschikking van [datum] zijn gewijzigd.

5.5
Uit de stukken en het gestelde ter terechtzitting is voldoende duidelijk geworden dat er sinds het uiteengaan van partijen, althans sinds een aantal jaren, geen, althans verwaarloosbaar, gezamenlijk overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden. Voorts is voldoende duidelijk geworden dat de man hoegenaamd geen adequate invulling heeft gegeven aan het ouderlijk gezag.

5.6
Bij een gezamenlijke gezagsuitoefening dient een constructieve communicatie tussen de ouders plaats te vinden. De rechtbank gaat ervan uit dat voormelde constructieve communicatie, gelet op hetgeen de man daartoe heeft gesteld, in de nabije toekomst niet te verwachten is.

5.7
Daar komt bij dat de man als gevolg van het feit dat er al langere tijd geen contact is tussen hem de minderjarigen, ook niet op de hoogte is van wat er in het leven van de minderjarigen gebeurt en blijkbaar daarvan ook niet op de hoogte wil blijven.

5.8
De minderjarige [minderjarige] heeft kenbaar gemaakt dat zij het eens is met het verzochte.

5.9
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de man dat hij teleurgesteld is in de minderjarigen, omdat hij van hen geen steun heeft ondervonden tijdens de ziekte en bij het overlijden van zijn vader, vanuit de positie van de minderjarigen bezien, voor zijn rekening dient te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de situatie waarin de man de volwassene is, op de weg van de man dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt in die zin dat hij het inlossen van zijn eigen verwachtingen niet bij de minderjarigen dient neer te leggen.

5.10
Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Het verzoek van de man om de vrouw te belasten met het gezag zal worden toegewezen.

Rechtbank Noord-Holland 30 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2528