Moeder beticht vader van alcohol- en drugsgebruik. Ook zou hij volgens moeder handelen in drugs. Vader ontkent. Gezamenlijk gezag. Zorgregeling of niet?

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. Gezamenlijk gezag van de vader en de moeder is niet in het belang van [minderjarige] . De moeder maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader. De vader gebruikt alcohol en drugs. Hij handelt ook in drugs. Voorts kent de vader [minderjarige] amper. Hij gaat zelden of nooit mee naar het consultatiebureau of naar het ziekenhuis. Hij heeft voorts een afspraak met de jeugdconsulente van de gemeente en een afspraak voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] afgezegd. Volgens de moeder zou de raad in elk geval eerst een onderzoek moeten doen onder meer naar de bereidheid van de ouders tot onderlinge communicatie en hun mogelijkheden daartoe. Thans communiceren de ouders alleen via whatsapp.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. De stelling van de moeder dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige] dient te worden beëindigd, is op geen enkele wijze onderbouwd. De moeder komt niet verder dan loze aantijgingen, die grievend zijn voor de vader. De moeder probeert de vader op afstand te houden en [minderjarige] van de vader te vervreemden. De vader staat er voor open om bijvoorbeeld bij het maatschappelijk werk aan de onderlinge communicatie en aan verbetering van het vertrouwen tussen partijen te werken.

Gezag

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Het hof stelt voorop dat voor gezamenlijk gezag vereist is dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] bij een gezamenlijke gezagsuitoefening klem of verloren zal raken tussen de ouders dan wel dat afwijzing van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De moeder heeft weliswaar een aantal zorgen uitgesproken ten aanzien van de uitoefening van het gezamenlijk gezag, maar de vader heeft deze zorgen gemotiveerd weersproken. Aangaande de zorgen van de moeder zijn voorts geen objectieve indicaties naar voren gekomen.

Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank op goede gronden het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] toegewezen. De daartegen gerichte grief faalt.

Zorgregeling

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] dient te worden vastgesteld.

Ter zitting is gebleken dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling thans feitelijk door partijen wordt uitgevoerd. [minderjarige] heeft inmiddels enkele keren bij de vader overnacht. De overdrachtsmomenten verlopen steeds beter. Het hof is van oordeel dat er op dit moment geen grond is om de zorgregeling in duur te beperken zoals door de moeder wordt voorgestaan. Het hof heeft hierbij mede gelet op hetgeen door de raad ter zitting is verklaard over het gedrag van [minderjarige] na een contact met de vader. De grief van de moeder slaagt niet.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3992