Wijziging partneralimentatie. Nihilstelling. Terugbetalingsverplichting. Moet de vrouw haar vermogen aanspreken om terug te betalen?

2.6
Naar het oordeel van het hof heeft de man een dringend belang bij terugbetaling van door hem aan de vrouw teveel betaalde bijdragen. Naar hij immers onbetwist heeft gesteld, heeft hij in de periode waarin hij deze betalingen heeft verricht, (onder andere) hiervoor schulden moeten maken, zijn deze schulden nog steeds niet afgelost en heeft hij niet een zodanig inkomen of vermogen dat hij deze daaruit zou kunnen aflossen.
Hier tegenover staat dat het gaat om een terugbetalingsverplichting van een zeer aanzienlijke omvang, door de man over de jaren 2009 tot en met 2012 begroot op € 99.482,79 en door de vrouw over de jaren 2010 tot en met 2012 begroot op € 65.832,40. Het hof acht het inkomen van de vrouw, mede gelet op haar uitgaven, niet voldoende om daaruit terugbetalingen van een dergelijke omvang aan de man te kunnen doen. Het hof acht het voorts voldoende aannemelijk dat de vrouw, zelfs met geringe aflossingsbedragen, al gauw onder het bestaansminimum zal komen. Gelet op de door het hof in zijn beschikking van 18 juli 2013 onder 3.12 vastgestelde aanvullende behoefte van de vrouw per 1 januari 2010 van € 2.854,-, per maand, haar uitgavenpatroon en door haar te reserveren bedragen voor pensioen en arbeidsongeschiktheid, is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid niet kon worden verlangd dat zij, lopende de door partijen gevoerde procedures, de door de man betaalde bedragen geheel opzij zou zetten met het oog op een eventuele terugbetalingsverplichting aan de man.

2.7
Dan rest de vraag of het redelijk is van de vrouw te verlangen dat zij haar door haar opgebouwde vermogen geheel of gedeeltelijk aanwendt om daaruit de teveel ontvangen alimentatie aan de man terug te betalen. Naar het oordeel van het hof is dit - gelet op hetgeen partijen hebben gesteld ten aanzien van hun respectieve belangen bij het al dan niet terugbetalen van teveel ontvangen partneralimentatie en hetgeen het hof hierover reeds heeft overwogen – op de volgende wijze het geval. Gezien de hoogte van het vermogen van de vrouw van afgerond (ten minste) € 66.500,-, acht het hof het redelijk dat zij daarvan € 30.000,- aanwendt om aan haar terugbetalingsverplichting jegens de man te voldoen. Enerzijds behoudt zij dan nog een substantieel bedrag voor het treffen van een pensioenvoorziening en/of een voorziening voor haar eventuele arbeidsongeschiktheid; anderzijds is het voor de man mogelijk met voormeld bedrag in ieder geval een deel van zijn schulden af te lossen en wordt hij - mede gelet op de aanzienlijke hoogte van het door hem teveel betaalde - in zoverre tegemoet gekomen. Het hof zal dan ook, mede in aanmerking genomen de hiervoor onder 2.2 vermelde beoordelingsaspecten, in die zin beslissen.

2.8
Het hof zal de proceskosten, waaronder de kosten van het deskundigenonderzoek, in die zin compenseren, dat iedere partij de eigen kosten draagt en dat ieder van hen de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek zal dragen. De kosten van het deskundigenonderzoek zijn reeds begroot op € 6.552,15, inclusief btw. Bij bevelschrift van 1 december 2014 is bepaald dat de vrouw de helft daarvan, te weten een bedrag van € 3.276,07, inclusief btw, voor haar rekening dient te nemen en dat de andere helft voorlopig ten laste van ’s Rijks kas is gebracht. Nu aan de man, ingevolge van de Wet op de rechtsbijstand, een toevoeging is verleend, zal het hof bepalen dat het door hem te dragen deel van de kosten van de deskundige van € 3.276,08, inclusief btw, ten laste van ’s Rijks kas komt.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8183