De grenzen van de rechtsstrijd worden niet bepaald door de benaming van het processtuk. Ligt in het verweerschrift een incidenteel appel besloten?

Onderdeel 1 klaagt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep te beperkt heeft getrokken door te oordelen dat de draagkracht van de man de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie van € 560,-- per maand toelaat. Het hof heeft niet onderzocht of de draagkracht van de man een hogere partneralimentatie toelaat. Het hof was kennelijk van oordeel dat dit laatste niet tot de rechtsstrijd in hoger beroep behoorde. Daarmee heeft het hof miskend dat in het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep een incidenteel appel besloten ligt. De vrouw heeft in dat verweerschrift voldoende duidelijk kenbaar gemaakt dat zij opkwam tegen het door de rechtbank vastgestelde bedrag en een hoger bedrag aan partneralimentatie wenste, aldus nog steeds het onderdeel.

Het cassatieverzoekschrift wijst erop dat de vrouw in hoger beroep het volgende heeft aangevoerd:
( i) het hof dient een volledige heroverweging te maken van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man, waarbij alle feiten en omstandigheden tot en met dat moment moeten worden meegenomen (verweerschrift onder 7);
(ii) de rechtbank heeft het gemiddelde maandelijkse inkomen van de man op een te laag bedrag vastgesteld (verweerschrift onder 20-21);
(iii) op de door de vrouw in haar verweerschrift onder 18-47 aangevoerde gronden moet de grief van de man tegen de vaststelling van zijn inkomen en draagkracht worden verworpen; dat inkomen en die draagkracht moeten opnieuw worden vastgesteld (verweerschrift onder 48);
(iv) afhankelijk van de toe te passen alimentatienorm en ervan uitgaande dat de woning zal zijn verkocht ten tijde van het geven van de beschikking, moet de man in staat worden geacht € 6.176,-- respectievelijk € 6.273,-- bruto per maand aan partneralimentatie te betalen (verweerschrift onder 48);
( v) de vrouw verzoekt het hof een trapsgewijze beschikking te geven, waarbij een partneralimentatie wordt vastgesteld enerzijds tot het moment dat de woning is verkocht en anderzijds na verkoop van de woning (verweerschrift onder 49).

Gelet op hetgeen de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd en gezien het partijdebat in hoger beroep, waaruit blijkt dat de man heeft begrepen dat de vrouw een hogere partneralimentatie wenste dan de rechtbank had vastgesteld, had het hof behoren te onderzoeken of de draagkracht van de man een hogere partneralimentatie toeliet dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 560,-- per maand. Het hof heeft miskend dat in het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep een incidenteel appel met betrekking tot de draagkracht van de man besloten lag. Onderdeel 1 is dus gegrond.

Ook onderdeel 2, dat opkomt tegen de overweging van het hof (rov. 15) dat de vrouw geen incidenteel appel heeft ingesteld ter zake van haar aanvullende behoefte, is in het licht van het vorenstaande terecht voorgesteld.

Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1690

Noot:

Voor deze materie is zeker ook de conclusie AG het lezen waard (ECLI:NL:PHR:2015:313): Hij legt uit dat de uitleg van een gedingstuk is voorbehouden aan de feitenrechter zodat daar in cassatie niet aangekomen kan worden maar dat dit oordeel wel kan worden getoetst op begrijpelijkheid (dus mogelijke vernietiging wegens een motiveringsgebrek). De kernoverweging van de AG volgt hier:

" Ik meen dat in ieder geval de klachten van onderdeel 1.2.2 en 1.3 opgaan. Hoewel de vraag of sprake is van een (verkapt) incidenteel appel in een verweerschrift een kwestie van uitleg van dat gedingstuk is en dus is voorbehouden aan de feitenrechter, kan in cassatie worden getoetst op begrijpelijkheid. Er lijkt mij in deze zaak onmiskenbaar sprake van een verkapt incidenteel appel tegen de hoogte van de partneralimentatie. Blijkens rov. 20 heeft het hof dat niet zo gezien; de gekozen formulering wijst er duidelijk op dat het hof het vizier had op het verbod van reformatio in peius: er is niet incidenteel geappelleerd door de vrouw tegen de partneralimentatievaststelling door de rechtbank (dat overweegt het hof in rov. 20 niet expliciet, maar even ervoor in rov. 15 wel uitdrukkelijk over de behoefte van de vrouw), zodat deze nooit (ten nadele van de man als appellant) op een hoger bedrag kan worden vastgesteld dan waar de rechtbank op uitkwam. Zo kan deze beslissing van het hof alleen maar worden begrepen, lijkt mij. Anders is gelet op het debat in appel al helemaal niet te volgen, waarom het hof aan die rechtbankvaststelling zou vasthouden. Maar dàt de vrouw niet verkapt incidenteel heeft geappelleerd, is denk ik zonder (ontbrekende) uitleg niet begrijpelijk, althans botst het zo opvatten van de rechtsstrijd in appel met de goede procesorde, als we bezien hoe het partneralimentatiedebat verliep in appel. De kern van de rechtsstrijd in hoger beroep is (uiteindelijk, na de schikking ter zitting over de kinderalimentatie) de partneralimentatie. Ik geef direct toe dat de formulering van de vrouw bij verweerschrift onder 7 niet uitblinkt in helderheid door het verwarrende beroep op de devolutieve werking van het appel. Maar dat is dan ook meteen het enige onduidelijke. Zij bepleit op die plaats namelijk ook een door het hof te verrichten volledige heroverweging van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man met verdiscontering van de situatie ex nunc. Zij rekent vervolgens in 15 van het verweerschrift onderbouwd voor dat de draagkracht van de man hoger ligt dan door de rechtbank vastgesteld. Na een daarop volgend uitgebreid exposé houdt zij het hof bij verweerschrift onder 48 voor dat de draagkracht van de man opnieuw moet worden vastgesteld. Zij berekent vervolgens getrapt en onderbouwd met vier separate draagkrachtberekeningen dat de man na verkoop van de voormalige echtelijke woning ruim € 6.000,- aan partneralimentatie kan betalen (bijna tien keer zoveel als de rechtbank aan partneralimentatie vaststelde). Daarop aansluitend verzoekt zij in 49 van het verweerschrift het hof een getrapte partneralimentatiebeschikking te geven voor de situaties voor en na het verdwijnen (in vermoedelijk juni 2014) van de torenhoge hypotheekrentelast van de man. En dat mondt dan uit bij conclusie in het verweerschrift (naast een verzoek tot afwijzing van de verzoeken van de man) in een, in het licht van deze aanloop niet anders dan als separaat te zien, verzoek om de (kinder- en) partneralimentatie vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht (en gelet op dit partijdebat is daarmee natuurlijk bedoeld: opnieuw, anders, hoger)."

In gelijke zin:
- Gerechtshof Den Haag 16 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2468