Kunnen huwelijkse voorwaarden worden vernietigd wegens dwaling? Afwijking van artikel 150 Rv. (Zeeuwse notaris).

Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld, voorzover het klaagt dat het hof niet (voldoende kenbaar) heeft vastgesteld omtrent welke aspecten van de overeenkomst [verweerster] heeft gedwaald. In rov. 5 heeft het hof in aansluiting aan rov. 4 concluderend overwogen dat het met de rechtbank van oordeel was dat bij [verweerster] sprake was van rechtens relevante dwaling. Daarbij heeft het hof, gelet op de in rov. 4 vermelde omstandigheden en op hetgeen de rechtbank dienaangaande in rov. 4.3 en 4.4 heeft overwogen, kennelijk op het oog gehad dat [verweerster] heeft gedwaald omtrent de huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden van 18 april 1986. De bij de genoemde overwegingen van de rechtbank aansluitende gedachtegang van het hof in rov. 4 en 5 komt immers in het kort hierop neer dat

- [eiser] met het oog op de overname van het notariskantoor van [betrokkene 1] een conceptakte van huwelijkse voorwaarden heeft opgesteld, welke akte [verweerster] niet vooraf heeft ontvangen en omtrent de inhoud waarvan zij niet deugdelijk door [eiser] en notaris [betrokkene 1] is voorgelicht,

- deze akte, die slechts beperkt is voorgelezen, vermeldt dat het motief tot het aangaan van de huwelijkse voorwaarden is gelegen in het beroep van [eiser] en, naar het hof aannemelijk achtte, alleen was bedoeld ter beperking van de risico's die uit het toekomstige ondernemerschap van [eiser] voortvloeiden,

- [verweerster] niet heeft overzien wat de vermogensrechtelijke consequenties van de akte waren, zoals de omstandigheid dat [verweerster] niet langer zou delen in de vruchten van de arbeid van [eiser] en dat een verrekenbeding voor het geval van echtscheiding ontbrak, en

- [verweerster] geen nadere onderzoeksplicht had naar de mogelijke gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden, omdat zij als leek erop mocht vertrouwen dat haar echtgenoot, een ervaren notarieel jurist, met wie de relatie destijds goed was, haar mede gelet op zijn vertrouwensfunctie goed en op onpartijdige wijze had ingelicht omtrent de (werkelijke) gevolgen van de akte.

In het licht van de hiervoor samengevatte gedachtegang van het hof, behoefde het hof zijn oordeel dat bij [verweerster] van relevante dwaling sprake was niet nader te motiveren dan het heeft gedaan. 's Hofs oordeel komt immers erop neer dat [verweerster] niet ervan op de hoogte was, noch ervan op de hoogte behoefde te zijn, dat de akte van huwelijkse voorwaarden, waarin als motief voor het opmaken van de akte slechts het beroep van [eiser] was vermeld, niet alleen gevolgen had voor haar positie ten opzichte van derden (in verband met aanspraken ter zake van door [eiser] als notaris verrichte handelingen), maar evenzeer gevolgen had voor haar vermogensrechtelijke positie jegens [eiser] die geen verband hielden met het in de akte uitgedrukte motief van beperking van de risico's die konden voortvloeien uit het ondernemerschap van [eiser]. Tegen deze achtergrond noopten de in het onderdeel vermelde stellingen en omstandigheden het hof niet tot nadere motivering.

Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt vooropgesteld dat het hof in rov. 6, kennelijk in reactie op de vijfde grief, die op de verdeling van de bewijslast betrekking had, heeft overwogen "dat in het onderhavige geval een redelijke bewijslastverdeling met zich medebrengt dat de man had dienen te bewijzen dat de vrouw de strekking en de gevolgen van de akte van huwelijksvoorwaarden kon overzien". Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat weliswaar volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. in verbinding met art. 6:228 lid 1 BW de bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op dwaling kunnen opleveren, rust op degene die zich op dwaling beroept, maar dat in het onderhavige geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Aldus heeft het hof, met toepassing van het bepaalde in de slotzin van art. 150 Rv., in afwijking van de hoofdregel de bewijslast niet op [verweerster] gelegd, maar op [eiser]. Deze beslissing geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot deze op de eisen van redelijkheid en billijkheid gegronde uitzonderingsbepaling en evenmin van de bij de toepassing daarvan in het algemeen te betrachten terughoudendheid.

Hoge Raad 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8238

Noot:
Het beroep van de vrouw op dwaling werd in drie instanties gehonoreerd. De notaris is in deze zaak tekortgeschoten. Hij had de conceptakte van de huwelijkse voorwaarden vooraf aan de vrouw moeten toezenden en haar moeten informeren over de rechtsgevolgen van de huwelijkse voorwaarden in de onderlinge verhouding tussen partijen. Voorts speelde mee dat de man, die zelf kandidaat-notaris was, de vrouw had voorgespiegeld dat de huwelijkse voorwaarden vooral waren bedoeld om derden buiten de deur te houden (externe effecten) zonder uit te leggen wat de rechtsgevolgen tussen partijen zelf waren. Hierdoor moest de man in afwijking van de hoofdregel van artikel 150 Rv bewijzen dat de vrouw de strekking en de gevolgen van de akte kon overzien.