Niet uitgevoerd verrekenbeding. Indirect belang in dochtervennootschap van andere dochtervennootschap van B.V. van een der echtgenoten niet zelfstandig tot vermogen van die echtgenoot te rekenen.

De Hoge Raad oordeelde als volgt over dit onderdeel van de zaak:
3.7 Onderdeel B klaagt onder 1.1 terecht over het kennelijke oordeel van het hof dat de waarde van de aandelen in [D] B.V. voor verrekening in aanmerking komt.
Het hof heeft in zijn onder (v) weergegeven overweging vastgesteld dat die vennootschap volgens de stellingen van de man op de peildatum een dochtervennootschap was van [F] B.V., die op haar beurt een 50% dochtervennootschap was van de aan de man toebehorende [E] B.V. Indien het hof van oordeel was dat [D] B.V. op de peildatum tot het vermogen van de man behoorde, is dat oordeel dan ook zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de door het hof weergegeven stellingen van de man. Indien het hof van oordeel was dat een indirect belang in genoemde vennootschap zelfstandig tot het vermogen van de man moet worden gerekend (anders dan doordat de waarde van die indirecte deelneming van invloed kan zijn op de waardebepaling van de direct door de man gehouden aandelen in [E] B.V.), geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Hoge Raad, 7 mei 2010, LJN
BL4078