Eenhoofdig gezag voor vader. Uitleg klemcriterium en noodzakelijkheidscriterium

Het klemcriterium

Het hof overweegt dat voordat de vraag kan worden beantwoord of sprake is van het klemcriterium, het eerst van belang is om te weten wat ouderlijk gezag inhoudt.
Blijkens artikel 1:247 lid 1 BW omvat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals over de verblijfplaats, de school, medische zaken, geloofsbeleving, vrije tijdsbesteding) te nemen. In geval van gezamenlijk ouderlijk gezag worden dergelijke beslissingen tezamen met de andere gezaghebbende ouder genomen.

Onbetwist staat vast dat partijen niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening in vorenbedoelde zin nu zij – zelfs niet met de nodige inspanningen daartoe – niet in staat zijn beslissingen van enig belang ten aanzien van [zoon] in gezamenlijk overleg te nemen en zij evenmin in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [zoon] kunnen voordoen. Partijen communiceren sedert juli 2007 op geen enkele wijze meer met elkaar en ook is niet te verwachten dat hierin op korte termijn verandering zal komen. Weliswaar is bij beschikking van 29 maart 2010 aan de vader, kort gezegd, een informatieplicht opgelegd, doch dit houdt – anders dan de moeder in haar beroepschrift heeft aangevoerd – geenszins in dat dit enige vorm van contact tussen partijen met zich brengt, nu deze informatieplicht slechts tot doel heeft de moeder op de hoogte te houden van de ontwikkelingen van [zoon] en deze informatieplicht niet bedoeld is als aanzet tot contact tussen partijen. Ten tijde van de zitting bij het hof was de vader bovendien nog niet op de hoogte van het adres van de moeder, zodat hij haar ook niet rechtstreeks kon informeren.

Onbetwist is dat de moeder zich de afgelopen jaren niet met de verzorging en opvoeding van [zoon] heeft bemoeid. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij ook niet de intentie heeft zich in de toekomst op enigerlei wijze met de dagelijkse verzorging en opvoeding van [zoon] te gaan bemoeien. Zij stelt haar rol op de achtergrond te accepteren alsook dat, zo het hof tot het oordeel zou komen dat het gezamenlijk gezag in stand dient te blijven, er slechts sprake kan zijn van zogenoemd “uitgekleed” gezag.
Indien de moeder haar toezegging gestand zal doen en akkoord gaat met een invulling van het ouderlijk gezag die erop neerkomt dat de vader alle beslissingen die nodig zijn in het kader van de verzorging en opvoeding zelfstandig kan nemen en de moeder waar nodig haar medewerking zal verlenen, kan zich naar het oordeel van het hof op zichzelf genomen niet de situatie voordoen dat [zoon] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders bij voortzetting van het gezamenlijk gezag.

Het hof heeft echter evenals de vader onvoldoende vertrouwen in (de toezegging van) de moeder dat zij in de toekomst onvoorwaardelijk toestemming zal blijven geven ten aanzien van beslissingen die de vader gedurende de komende jaren nog aangaande en in het belang van [zoon] zal moeten nemen. Het hof is van mening dat er bij de moeder sprake is van persoonlijkheidsproblematiek, die er aan in de weg staat dat zij in staat is de ter zitting besproken variant van “uitgekleed” gezag uit te oefenen.

Het noodzakelijkheidscriterium

Het hof is van oordeel dat wijziging van het gezag in ieder geval anderszins in het belang van [zoon] noodzakelijk is. Hiertoe acht het hof relevant dat de gebeurtenissen uit het verleden, zoals hiervoor weergegeven, de relatie tussen partijen ernstig heeft verstoord en ertoe heeft geleid dat de vader geen enkel vertrouwen meer heeft in de moeder.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht absoluut geen contact meer met de moeder te willen onderhouden en hiertoe psychisch ook niet in staat te zijn. Het hof acht dit, gelet op de voorgeschiedenis, niet onbegrijpelijk en is van oordeel dat de onrust en de gevoelens die de vader ervaart bij de idee dat het gezamenlijk gezag in stand blijft – ook al zou het slechts gaan om “uitgekleed” gezag – een dusdanige negatieve weerslag op [zoon] zullen hebben dat reeds hierom het in stand houden van het gezamenlijk gezag niet in zijn belang noodzakelijk kan worden geacht.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 september 2010, LJN: BN7159