Eenhoofdig gezag bij vader door ernstige persoonlijkheidsstoornis bij moeder

Verder blijkt uit het raadsrapport dat dr. Elzinga, de psychiater van de PAAZ afdeling waar de vrouw enige tijd heeft verbleven, heeft geconcludeerd dat bij de vrouw aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ernstige persoonlijkheidsstoornis. De vrouw heeft een gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie en een sterke neiging tot externaliseren waarbij zij afweermechanismen hanteert die gemakkelijk kunnen leiden tot een vertekend beeld van de realiteit. De vrouw is niet in staat tot zelfreflectie en introspectie. Zij is sterk gericht op eigen belang en gewin en verliest daarbij de belangen van anderen uit het oog en stelt deze achter bij haar eigen belangen.

De reactie van 24 juli 2009 van dr. Wichers, de behandelend psychiater van de vrouw, op voornoemd rapport, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de bevindingen van dr. Elzinga zoals daarin opgenomen.

In het licht van het vorenstaande betrekt het hof bij de beoordeling dat bij de vrouw sprake is van ernstige persoonlijkheidsproblematiek die een bepalende invloed heeft op haar visie op de werkelijkheid en op haar houding en gedragingen jegens derden dientengevolge. Dit beperkt haar (mogelijkheden) om vanuit het belang van de minderjarigen te denken en te handelen zowel tegenover de vader en de kinderen als tegenover de hulpverlening. De vader lijkt -aldus het raadsonderzoek- over voldoende pedagogische vaardigheden te beschikken om de verzorging en opvoeding van de kinderen, bijgestaan door de nodige hulpverleners, op zich te nemen maar deze zorg is ook voor hem intensief en belastend en is daarmee van invloed op zijn draagkracht en vermogen om te communiceren met de vrouw. Het hof verwacht dan ook niet dat er binnen afzienbare tijd een voldoende mate van communicatie tussen de ouders zal gaan lopen.

De persoonlijke problematiek van de kinderen is voorts zodanig is dat ieder van hen naar verwachting gedurende langere tijd deskundige hulp en intensieve begeleiding nodig zal hebben in de verzorgings- en opvoedingssituatie om zich naar zijn/haar mogelijkheden te kunnen ontwikkelen. Dit brengt mee dat in de komende jaren meer dan bij kinderen zonder problemen tussen de ouders overleg nodig zal zijn en door de ouders beslissingen zullen moeten worden genomen.

Gelet op het voren overwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders indien zij beiden het gezag blijven uitoefenen terwijl niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.

Aangezien handhaving van het gezamenlijk gezag van de ouders naar het oordeel van het hof niet langer aan de orde kan zijn, acht het hof het het meest in het belang van de kinderen dat het gezag over hen voortaan wordt uitgeoefend door de man alleen. Uit de stukken komt immers naar voren dat hij sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning eind 2008 de zorg voor de kinderen op adequate wijze op zich heeft genomen en dat een goede samenwerkingsrelatie met de hulpverlening bestaat. De twijfels die de vrouw omtrent de wijze van verzorging en opvoeding heeft opgeworpen, worden door de (deskundige) hulpverleners betrokken bij het gezin en de gezinsvoogd niet onderschreven. Het hof gaat dan ook aan deze twijfel voorbij.

Gerechtshof Leeuwarden 27 juli 2010, LJN: BN3306