Hoger beroep tegen echtscheidingsbeschikking met als effect dat de voorlopige voorzieningen doorlopen. Onnodig veroorzaakte kosten. Proceskostenveroordeling.

Het hof neemt tot uitgangspunt dat, indien eenmaal door de eerste rechter echtscheiding is uitgesproken, het hoger beroep slechts op grond van door de echtgenoot die het instelt, aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken (vgl. HR 20 januari 2006, NJ 2006, 76)

Of dergelijke bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en of deze omstandigheden nopen tot het herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorzieningen, is in hoge mate feitelijk en aan de rechterlijke beoordeling overgelaten.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorziening wordt hersteld en dat tezelfdertijd in hoger beroep wordt beslist op beide verzoeken.

Ten aanzien van de door de vrouw gestelde belangen – zoals zij nader heeft toegelicht ter zitting van het hof – overweegt het hof allereerst dat de rechtbank bij de bestreden beschikking de bepaling betreffende de gebruiksvergoeding niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, zodat reeds door het instellen van hoger beroep door de vrouw de werking van deze bepaling wordt opgeschort en enig rechtens te respecteren belang van de vrouw in die zin dus niet bestaat.

Ten aanzien van het tweede door de vrouw gestelde belang, zijnde de kinderalimentatie, overweegt het hof dat de vrouw deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele stelling dat bij de beschikking voorlopige voorzieningen een hogere kinderalimentatie is opgelegd dan bij de echtscheidingsbeschikking, is geen bijzondere omstandigheid die noopt tot herstel van de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen.

Het hof ziet in het onderhavige geval aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gebruikelijke uitgangspunt dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hoewel de vrouw stelt dat zij een ‘onmiskenbaar groot belang’ heeft bij haar verzoek in hoger beroep, laat zij na haar stelling deugdelijk te onderbouwen, hetgeen op haar weg had gelegen. Zoals reeds overwogen in ro. 3.5.3. treft haar betoog omtrent de gebruiksvergoeding geen doel. Voor zover zij belang stelt te hebben in verband met de kinderalimentatie, merkt het hof op dat de vrouw slechts heeft volstaan met de constatering, zonder enige nadere motivering, dat de definitieve kinderalimentatie lager uitvalt dan de kinderalimentatie die bij beschikking voorlopige voorzieningen is vastgesteld. Hier valt op geen enkele wijze een bijzondere omstandigheid in te lezen.

Het hof is van oordeel dat de vrouw door deze proceshouding voor de man onnodig en ongegrond kosten heeft veroorzaakt.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw in de proceskosten dient te worden veroordeeld voor zover die zien op de uitsluitend voor de grief tegen de echtscheiding ingelaste en gehouden mondelinge behandeling van 14 juli 2015.

De kosten van de man in deze worden begroot op € 894,= (tarief II, 1 punt voor het verschijnen van de advocaat ter zitting).

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 augustus 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3036