Partneralimentatie. Vrouw betaalt niet mee aan huwelijkse schulden. Nihilstelling

Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat op de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens – ook de niet huwelijkse – schulden van invloed zijn. Ook is niet vereist dat op de schulden wordt afgelost. Het staat de rechter echter vrij om te bepalen in welke mate rekening dient te worden gehouden met de schuld. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man dan ook rekening houden met de door de gehele door de man opgevoerde schuldenlast van € 78.062,-. Vast staat dat het overgrote deel van de door de man opgevoerde schulden tijdens het huwelijk van partijen zijn ontstaan, zo blijkt uit de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juni 2012, en ook de vrouw ingevolge die beschikking de helft van de huwelijkse schulden voor haar rekening dient te nemen. Vast staat ook dat de vrouw dit niet heeft gedaan en het derhalve de man is die de rente en aflossing op alle huwelijkse schulden heeft voldaan. Het hof zal in dit geval rekening houden met de (betaling van rente en aflossing op de) gehele schuldenlast. De betaling van rente en aflossing van deze schulden wordt immers feitelijk slechts door de man voldaan. De man heeft weliswaar in theorie een regresrecht op de vrouw voor de helft van het door hem betaalde, maar in de praktijk is dit regresrecht van de man – gelet op het inkomen van de vrouw – volkomen illusoir. Dit leidt er toe dat in verband met de betaling van rente en aflossing bij de berekening van de draagkracht rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 1.630,- per maand.

Gerechtshof Den Haag, 19 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:918