Verdeling eenvoudige gemeenschap. Algemene dwalingsregeling niet van toepassing

Onderdeel 1 komt op tegen het toepassen door het hof van art. 6:228 (dan wel art. 6:229) BW. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat deze bepalingen krachtens art. 3:199 BW niet op een verdeling van toepassing zijn en – zo het hof van een verrekening is uitgegaan – op grond van art. 1:135 lid 2 BW ook niet op een verrekening.

Het onderdeel is gegrond. Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het echtscheidingsconvenant betrekking heeft op de verdeling van de (eenvoudige) gemeenschap tussen partijen, en niet op verrekening ingevolge het bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding. Ingevolge art. 3:199 BW is de algemene dwalingsregeling van de art. 6:228-230 BW niet van toepassing op een verdeling. De vernietigbaarheid van een verdeling wegens dwaling wordt uitsluitend beheerst door art. 3:196 BW. Het hof heeft derhalve, nadat het in rov. 8 het beroep van de man op art. 3:196 BW had verworpen, in rov. 9 en 10 ten onrechte de algemene dwalingsregeling toegepast.

Mocht het oordeel in rov. 5 van de beschikking van 6 augustus 2014 “dat art. 3:199 BW niet van toepassing is op een overeenkomst tot verdeling zoals in casu” ook ten grondslag liggen aan de beschikking van 18 juni 2014, dan heeft het hof ook in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Het hiervoor in 4.2.2 overwogene geldt niet alleen voor de overeenkomst die een verdeling inhoudt, maar ook voor de overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde, concreet aangegeven verdeling verplichten (vgl. HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697, NJ 1996/499).

Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1871