Kan een pensioenverweer tegen de echtscheiding worden gevoerd indien niet duidelijk is wat de omvang van de pensioenaanspraken zijn en afstorting niet heeft plaatsgevonden?

HET PENSIOENVERWEER
Het hof zal eerst beoordelen of de vrouw een beroep kan doen op het pensioenverweer als bedoeld in artikel 1:153 BW.

* algemeen
Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat echtscheidingsverzoek verweer voert, kan dit verzoek -ingevolge het bepaalde in artikel 1:153 lid 1 BW- niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.

In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 6 mei 1971, Stb. 290 wordt erop gewezen dat "door echtscheiding met name de vrouw het ernstige risico loopt bij vooroverlijden van de man slecht verzorgd achter te blijven. De alimentatie houdt dan op, en een pensioenvoorziening of levensverzekering is veelal zo geregeld dat weduwenuitkeringen slechts ten goede komen aan de vrouw met wie de man op het ogenblik van overlijden was gehuwd. Ondanks wettelijke sociale voorzieningen (…) kan verlies van toekomstige pensioenrechten onherstelbaar afbreuk doen aan de voorziening in het levensonderhoud die voor de vrouw bij voortduring van het huwelijk na 's mans overlijden gewaarborgd zou zijn. De hoop en verwachting worden uitgesproken dat meer pensioenregelingen zullen worden getroffen zoals in de toenmalige Algemene Burgerlijke Pensioenwet voorzien, inhoudende een bijzonder weduwenpensioen dat evenredig is aan de diensttijd van de man voor ontbinding van het huwelijk. Naarmate dit geschiedt, zal artikel 1:153 BW “in belang verminderen", aldus de toelichting. Benadrukt wordt dat ten tijde van de rechterlijke uitspraak een pensioenvoorziening of daarmee vergelijkbare levensverzekering moet bestaan welke bij vooroverlijden van de verzoeker aan de andere echtgenoot rechten op uitkeringen geeft.

Volgens de memorie van antwoord is de betekenis van het artikel dat, als door de echtscheiding enig vooruitzicht op weduwenpensioen en dergelijke teloor zou gaan of ernstig wordt aangetast, verweer kan worden gevoerd: de scheiding kan niettemin worden uitgesproken, indien een voldoende voorziening wordt getroffen. Aan het verweer kan onder meer tegemoet worden gekomen door toekenning van het weduwenpensioen, voor zover op de datum der echtscheiding reeds opgebouwd, aan de vrouw. Enerzijds betekent dit niet dat een zodanige tegemoetkoming in alle gevallen als een voldoende voorziening zal kunnen worden beschouwd, anderzijds is met 'voldoende voorziening' ook niet bedoeld dat een volledige compensatie moet worden gegeven voor het gemis van het verwachte weduwenpensioen.

Volgens vaste rechtspraak moet uit de hiervoor geciteerde passage in de memorie van toelichting en uit de tekst van de wet - sprekend van "een vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan" - worden afgeleid dat
de bepaling slechts betrekking heeft op een vooruitzicht op uitkeringen uit hoofde van een nabestaandenpensioen en daarmee vergelijkbare uitkeringen, zoals die krachtens een levensverzekering, en niet op bijvoorbeeld uitkeringen uit het ouderdomspensioen van de verzoekende echtgenoot, spaargelden of onroerende zaken. Het gebruikelijke begrip 'pensioenverweer' dient derhalve in beperkte zin te worden opgevat.

Artikel 1:153 BW heeft uitsluitend betrekking op het in juridische zin verloren gaan van een bestaand vooruitzicht op nabestaandenpensioen als gevolg van de echtscheiding. De enkele omstandigheid dat sprake is van onduidelijkheid over de omvang van deze pensioenaanspraken of dreiging dat de daarvoor benodigde gelden zijn/worden zoekgemaakt betekent niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:153 BW. Gelet op de tekst van de bepaling alsmede haar totstandkomingsgeschiedenis als geciteerd en geparafraseerd onder rechtsoverweging 5.4 tot en met 5.7 is de toepasselijkheid van de bepaling naar het oordeel van het hof beperkt tot de situatie dat vast staat dat als gevolg van de echtscheiding als juridisch feit een bestaand vooruitzicht op - kort gezegd - een nabestaandenuitkering rechtens verloren zal gaan of verminderd zal worden. Anders dan de vrouw met grief IV kennelijk betoogt, hoeft de beslissing omtrent de echtscheiding niet te worden aangehouden totdat er duidelijkheid is over de omvang van de pensioenaanspraken en (onder meer) de afstorting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juli 2015,
ECLI:NL:GHARL:2015:5207