Gemeente heeft fouten gemaakt in de berekening van de verhaalsbijdrage en wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.27.
De rechtbank ziet in het onderhavige geding aanleiding om de gemeente in de kosten van de procedure te veroordelen. Partijen zijn in de onderhavige zaak over en weer op enkele punten in het gelijk gesteld. Echter, de gemeente heeft pas tijdens de zitting gemeld dat de aflossing op de studieschuld van de man (van € 111,- per maand) toch kan worden meegenomen in de berekening, terwijl de man zich reeds eind januari 2015 op dit standpunt had gesteld dat destijds niet werd gevolgd door de gemeente. Dit wrikt temeer nu het wel of niet meenemen van de aflossing op de studieschuld in deze kwestie een van de belangrijkste discussiepunten tussen partijen was en van grote invloed is op de uiteindelijk te bepalen verhaalsbijdrage, terwijl er - gelet op jurisprudentie en de aanbevelingen van de Expertgroep alimentatie - in beginsel geen aanleiding was om de aflossingen op de studieschuld niet mee te nemen. Daarnaast heeft de gemeente in haar berekening de behoefte van de kinderen te hoog vastgesteld, zoals door haar ter zitting is erkend. De rechtbank is van oordeel dat de man door deze opstelling van de gemeente onnodig is gedwongen om te gaan procederen en dat de daarmee gepaarde kosten voor de man nodeloos zijn veroorzaakt en voor rekening van de gemeente dienen te blijven.

3.28.
De man heeft geen stelling ingenomen over de hoogte van de proceskosten. De man heeft slechts opgemerkt dat hij onder andere kosten heeft gemaakt voor het opstellen van een verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee onvoldoende inzichtelijk voor welk bedrag de man een proceskostenveroordeling verzoekt. De rechtbank zal daarom aanknopen bij de forfaitaire proceskosten zoals in civiele zaken algemeen gebruikelijk is en in redelijkheid de gemeente veroordelen om aan de man € 1.053,- te voldoen (2 punten alsmede het griffierecht).

Rechtbank Midden-Nederland 12 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:218