Verdeling huwelijksgemeenschap. Ontnemingsvordering wegens invoer cocaïne niet verknocht.

In beginsel zijn op grond van artikel 1:94 lid 5 BW alle schulden (derhalve zowel de schulden die vóór als de schulden die tijdens het huwelijk zijn aangegaan) gemeenschappelijk, ongeacht wie van beide echtgenoten de schuld is aangegaan.

Anders dan de vrouw in haar verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep heeft aangevoerd, is tijdens de comparitie van partijen komen vast te staan dat partijen destijds (te weten: ten tijde van het plegen van het strafbare feit door de man) met elkaar samenwoonden. Partijen hebben in dit kader verklaard dat zij elkaar in 2002 in Nederland hebben leren kennen. De vrouw ging terug naar Suriname, maar toen zij ontdekte dat zij zwanger was van de man kwam zij weer naar Nederland. Partijen hebben enige tijd met elkaar samengewoond in de woning van de zus van de vrouw. De man is begin 2003 - in bijzijn van de vrouw - gearresteerd. Nadien is de woning aan de [a-straat] 83 te [A] aangekocht. Partijen hebben aldaar nog enige tijd samengewoond en de vrouw raakte opnieuw zwanger van de man. De man is vervolgens veroordeeld en gedetineerd geraakt. Uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 juli 2011 (gevoegd bij het journaalbericht van 6 mei 2015 van mr. Van Stralen) blijkt ook dat er in de periode na het plegen van het strafbare feit door de man verschillende uitgaven zijn gedaan die kunnen worden toegerekend aan de gemeenschappelijke huishouding van partijen. Aan de stelling van de vrouw dat partijen pas in 2009 zijn gehuwd en dat zij en de kinderen nimmer voordeel hebben gehad van het feit waarop de ontnemingsvordering betrekking heeft, gaat het hof dan ook voorbij. In dit licht bezien is het hof van oordeel dat onvoldoende is aangevoerd om te kunnen concluderen dat van een verknochte schuld sprake is.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2015:9015