Omkering bewijslast bij vermoeden benadeling gemeenschap?

Ingevolge het bepaalde in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt de hoofdregel dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast draagt van die feiten of rechten. Een andere bewijslastverdeling kan voortvloeien uit enige bijzondere regel of uit de eisen van de redelijkheid en de billijkheid. Toepassing van deze tweede uitzondering kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden waarbij het bestaan van bewijsnood op zichzelf in beginsel onvoldoende reden vormt om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid. Echter, indien de partij die volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast draagt in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt door toedoen van de wederpartij, kan omkering van de bewijslast geboden zijn. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in dit geval, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de man, waarbij hij de nodige financiële stukken met betrekking tot zijn inkomsten en uitgaven heeft overgelegd, onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die een andere bewijslastverdeling zouden rechtvaardigen.

Rechtbank Den Haag 3 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14755