Voorlopige voorziening in hoger beroep mogelijk met betrekking tot het gebruik van de voormalig echtelijke woning ondanks het feit dat de echtscheidingsbeschikking al is ingeschreven.

6. Ingevolge artikel 821 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan ieder der echtgenoten in zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 en 823 Rv vragen. Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Nu ter terechtzitting is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking [in] 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kunnen de artikel 822 Rv bedoelde voorzieningen niet langer worden verzocht.

7. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

8. Bij uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen, daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. De Hoge Raad heeft dan ook geoordeeld dat ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek kan worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding overeenkomstig hetgeen artikel 223 Rv bepaalt voor dagvaardingsprocedure. Het hof heeft ter zitting deze uitspraak aan partijen voorgehouden.

9. Hof vult ambtshalve de rechtsgronden aan en beoordeelt het verzoek van de vrouw op grond van artikel 223 lid 1 Rv. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in de hoofdzaak onder meer verzocht een nevenvoorziening te treffen met betrekking tot de - tot de huwelijksgemeenschap van partijen behorende - woning aan de [adres] te [plaats] , welk verzoek kan worden gegrond op artikel 827 lid 1 sub d. danwel 827 lid 1 sub f. Rv. Het hof is van oordeel dat de door de vrouw verzochte voorlopige voorziening voldoende samenhang heeft met de hoofdvordering , zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek. Bij de beoordeling van het verzoek dient het hof de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

10. Het hof stelt voorop dat zowel de vrouw als de man belang heeft bij het (tijdelijk) gebruik van de woning aan de [adres] te [plaats] , die nog niet is verkocht. Met betrekking tot de situatie van de vrouw overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat de vrouw (met de twee minderjarigen) de woning aan de [adres] te [plaats] op zeer korte termijn moet verlaten, op straffe van een (beide partijen rakende) zware geldboete. Ondanks haar urgentieverklaring heeft de vrouw nog geen (passende) vervangende woonruimte gevonden. Het hof is niet gebleken dat de vrouw, zoals de man kennelijk betoogt, in deze nalatig is geweest. Het hof acht het risico groot dat de vrouw er niet in zal slagen vóór ommekomst van de fatale oplevertermijn van de woning (28 december 2015), vervangende woonruimte te vinden. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, mét de bij haar verblijvende minderjarige kinderen, niet tijdelijk bij haar familie kan verblijven. Het voorstel van de man, waarbij de minderjarigen tijdelijk van zorgouder wisselen en bij de man in de woning aan de [adres] verblijven, acht het hof niet in het belang van de minderjarigen, gelet op de conflictueuze verstandhouding tussen partijen, die een ondertoezichtstelling in het belang de minderjarigen noodzakelijk heeft gemaakt. Het hof is bovendien van oordeel dat de vrouw gegronde bezwaren heeft geuit tegen een gezamenlijk dan wel een om-en-om verblijf met de man in de woning te [plaats] . Met betrekking tot de situatie van de man, stelt het hof vast dat hij, volgens zijn verklaring te zitting, in principe tijdelijk bij zijn ouders terecht kan, maar dat hij zijn ouders liever niet (opnieuw) wil belasten. Hoewel het hof begrip heeft voor de situatie van de man, is het hof op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de vrouw dringend behoefte heeft aan het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] te [plaats] , mede ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen, en dat haar belang in deze zwaarder weegt. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen. Het hof zal de man een redelijke termijn gunnen, namelijk tot 21 december 2015, teneinde zijn vertrek uit de woning voor te bereiden en uit te voeren.

Gerechtshof Den Haag 16 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3810